Verslag rondreis Oost India (Sikkim en Orissa) 29 februari 29 maart 2004
Vooraf
Wij zijn Adri en John Stuurman uit Oud-Beijerland. Na onze eerste reis naar India en Nepal bleef het land ons trekken. Een tweede reis kon dus niet uitblijven. Dit is een reisbeschrijving waarin onze indrukken en belevenissen zijn weergegeven. Alles heeft een persoonlijke inkleuring. Hoe je het ook leest, de belevenis zelf blijft het ultieme.
Deze boeiende en afwisselende reis combineert hooggelegen Tibetaanse kloosters in de Himalaya, een bezoek aan de fascinerende metropool Calcutta, looptochten naar afgelegen Adivasi-stammen, middeleeuwse tempelsteden en tropisch stranden. Het is echter een zware reis met lange afstanden die overbrugd moeten worden en eenvoudige accommodatie, een reis voor èchte India liefhebbers die de uithoeken van het land willen zien.
Zondag 29 februari - 1e dag Reis in etappes.
Als we op de koude ijzeren roosterbanken van het NS-station Lombardijen gaan zitten draait de snurkende zwerver zich nog een som. We zijn net door onze dochters bij het station afgezet. Even later komt een Surinamer met een hardspelende discman de wachtruimte in, hetgeen voor een stevige Surinaamse Taante reden is om hem daarop aan te spreken. Hij protesteert eerst, maar gehoorzaamt vervolgens. Hij verdwijnt mokkend uit het wachthok. O, wat is het koud hier.
Met een Belgische trein rijden we comfortabel en warm naar Schiphol. Ondertussen schrijven de strenge controleurs boetes uit voor een groep jongeren die schijnbaar zonder plaatsbewijs richting Amsterdam reist.
Shoestring is keurig aanwezig met de benodigde tickets. We zijn één van de eersten. Bij de check-in ontmoeten we Mariëlle, één van onze alleenreizende reisgenoten. Hoewel we extra moeten overstappen in Frankfurt heeft het hier wel het voordeel dat je bij een rustige balie voor Europese vluchten geholpen wordt. De bagage wordt via Frankfurt doorgelabeld naar Delhi. Naar Calcutta lukt niet, want er is geen samenwerking tussen Air India en Indian Airlines!
Later zal ons echt duidelijk worden waarom het niet kan.
Aan het eind van de ochtend is het gigantische vliegveld van Frankfurt am Main vrijwel uitgestorven. We rijden met de monorail naar een ander gebouw en vinden min of meer bij toeval de juiste balie. Wat vliegveldinfo betreft blijft Schiphol met kop en schouders boven vrijwel alle luchthavens uitsteken.
De zeer oude 747 van Air India stijgt kreunend en rammelend op. Aanvankelijk zitten we niet naast elkaar. Door het dringend vragen om een lange benen plaats zijn we even uit elkaar gedreven. Shoestring heeft stoelen voor de groep gereserveerd, maar daar heb ik dus zelf iets aan veranderd. Binnen een uur ruilt de Duitse vrouw naast mij haar plaats in voor een andere.
De verzorging van Air India is goed. Het is het bekende ritueel. Een lunch, dutje, film (een politiethriller), dutje, supper. Ondertussen glijden in 7 uur de 6664 kilometers onder ons door.
Maandag 1 maart - 2e dag We controleren onze ledenmaten nog eens op aantal.
Midden in de nacht landt de zwoegende zwaargewicht op Indira Ghandi International Airport bij Delhi.
Na een kwartiertje staan we in de bekende sobere hal waar de paspoortcontrole plaatsvindt. Lange rijen wachtenden, streng kijkende controleurs. De doffe tikken van de vele stempels zijn de enige geluiden. Als wij aan de beurt zijn probeer ik de sfeer een beetje te breken. Wij zijn op vakantie toch? Ik lees de naam van de beambte natuurlijk fout hardop. Hij lacht, jawel het ijs breekt in de warme hal en hij corrigeert me. De daarop hoorbare stempels klinken veel vriendelijker.
Het is inmiddels half drie geworden, als we met onze opgehaalde bagage door een haag van mannen met bordjes (Indira Tours: Mrs Janssens) lopen. Er staat niemand voor ons. Was het maar waar. Het is ons volstrekt onduidelijk waar een vliegtuig richting Calcutta kunnen vinden.
We (de hele groep met 8 reizigers) staan plotseling op de parkeerplaats waar vrijwel alle taxi’s van Delhi ons een rit opdringen. Das niet goed. We gaan weer naar binnen, maar dan moet je wel langs die controleurs.
Na wat heen en weer geloop, want iedereen stuurt ons helaas verkeerd, roept iemand achter een taxibalie. Met tegenzin ga ik er naar toe. We moeten naar een ander vliegveld voor Domestic Flights! Daarom lopen we dus met die bagage te zeulen. In een speciale wachtkamer wachten we tot 4 uur op de bus. We hebben wel de tijd en weigeren dus al die taxi’s, die overigens 125 Rps vragen. Er rijdt een gratis bus en de volgende gaat dus om 4 uur. Nou ja, in een groot boek worden we allemaal ingeschreven, de bagage moet de bus in, de chauffeur maakt verder weinig aanstalten, maar het komt goed. Dan begint de hobbelige busrit, waarbij we het gevoel hebben alsmaar rond te rijden. Soms wordt gestopt voor kruisende vliegtuig. Het ziet er allemaal volstrekt onveilig uit. Uiteindelijk worden we om halfvijf bij een andere vliegveldhal gedropt. De check in is druk. Er volgt controle op controle. Overal staan mannen in uniform en overal worden tickets en bagage gecontroleerd.
De zon gaat net op als de Airbus A320 van Indian Airlines opstijgt. Mijn beloofde beenruimte is geregeld, de verzorging is prima. We krijgen een prima ontbijt geserveerd. Binnen twee uur landen we op de kleine luchthaven van Kolkata, Calcutta dus.
De bagage is er supersnel en compleet. Rashmi, onze reisgids staat al klaar. Zijn Indiase Engels doet me aan komische BBC-series denken. De bagage wordt in de bus gestouwd en in een minuut of 45 rijden we door het hectische Calcutta naar het Great Eastern Hotel in het hartje van de stad. Onderweg kom je al ogen te kort. Omdat je er nog niet echt midden in zit (zo’n bus is hoog) zie je het als een film wat afstandelijk aan je voorbij gaan.
In het hotel betrekken we wat goedkope kamers op het dakterras. Het is er heet. We zijn bekaf na zo’n reis en gunnen ons, met de wekker bij de hand twee uur rust. Ja en dan toch waar je voor komt. Het dagelijks leven ervaren door ertussen in te gaan.
Tekst uit Reisbrochure: Vrije dagen in Calcutta. De eerste dagen kun je je laten overweldigen door Calcutta, een arme stad, maar met een uitbundige bevolking en een bont straatleven. De mensen vormen de echte en onuitputtelijke bezienswaardigheid van de stad. Bijzonder is het culturele gehalte van de stad. Men zegt wel eens dat als een bedelaar in Delhi een rupee krijgt, hij dat spendeert aan eten, terwijl een bedelaar in Calcutta 75 paisa zal besteden aan eten en 25 paisa zal bewaren om te sparen voor een krantje. Heel mooi is de markt van Calcutta. Die moet je beslist bezoeken. Het ligt pal achter het meest decadente hotel van de stad, waar het nuttigen van een ‘clubsandwich’ een belevenis is. De drukte van Calcutta kan worden ontlopen door naar de Maidan, de grote groene long van de stad te gaan die kilometers lang langs de Hooghly loopt. Ook is het leuk om ’s ochtends langs de rivier te lopen. Er is een bloemenmarkt, er wordt gebeden en gebaad en er zijn vrijwel altijd worstelwedstrijden. Je overnacht twee nachten in een comfortabel hotel niet ver van het park Maidan.
De stad in. Het is een prachtige orgie. Het is dat we zo moe zijn, dus er gaat wel veel onopgemerkt langs je heen. Armoe, alles wat je ziet is oud, versleten, vervallen. De trams blijven wonder boven wonder in de rails. Dan het geluid: getoeter, verkeer, handelaren die roepen. Stof en rook. Je wordt er echt pikzwart. De gigantische hoeveelheid lawaaierige bussen en de dieselende Ambassador-taxi's rijden rokend door de drukke stad. Ze toeteren de loopriksjas van de weg. Voetgangers maken geen kans. Rennen voor je leven!
We maken zonder enig plan een rondje. Langs de openlucht tramremise, het Maidanpark, naar de rivier. We zijn uitgedroogd als we bij de rivier een restaurant binnenstappen. We gaan ons te buiten aan 4 stevige cola’s en krijgen de rekening van 60Rps gepresenteerd. (50 Rps 1 euro) Dan moet je je ook maar inhouden.
We lopen terug langs de Townhall, het Gouverneurspaleis met de grandeur van weleer. Het is vreemd, maar als we door de gang van het High Court lopen, tussen de rechters, advocaten, tassen vol dossiers en gele en zwarte stapels archief overal opgestapeld, dan besef je pas hoe je met een vliegtuig in een beperkte tijd in een heel andere cultuur terechtkomt. Zomaar de volgende middag. In dat gerechtshof maken we geen foto’. Iedereen steekt er zijn vingertje op! Buiten sta je weer in het straatleven. Een aantal oversteken later controleren we onze ledenmaten nog eens op aantal.
In het grote postkantoor staat een pasgeverfd hok met drie armzalige computers. Wij hebben vast de langzaamste. We versturen onze eerste mail.
Hallo,
Hier India. Na een lange vermoeiende reis in Calcutta aangekomen. Alles verliep op tijd en zelfs de schijnbaar eeuwenoude Boeiing 747 van Air India trok probleemloos zijn baantje richting Delhi.
We vlogen via Frankfurt en Delhi. Overstappen in Delhi is een avontuur. We moesten naar een andere terminal. En probeer dan maar eens een bus te vinden. En niet in te gaan op de taxiaanbiedingen. Uiteindelijk rijdt om 4 uur 's nachts de gratis bus voor die ons naar de luchthaven voor Domestic flights kon brengen.Rond halftien in de ochtend arriveerden we in Calcutta. Bijkomend voordeel: ook de bagage is aangekomen. Met een kleine drie kwartier getoeter en prachtige indrukken over de stad bereikten we ons hotel in het hartje van deze heksenketel. Ondertussen natuurlijk tussen de reizigers de leden van ons groepje "aangetroffen" en hier opgevangen door de Engelstalige gids.
Calcutta is groot, warm, druk, vol lawaai, lekkere luchtjes en je komt ogen te kort om de indrukken op te doen. Het is dat we al eens eerder in India waren, anders valt je mond open van verbazing.
Vandaag gebruiken we om wat te acclimatiseren. Het weer, het tijdsverschil + 5 1/2 uur en de pittige reistijd. Het is nu halfvijf. Over een uurtje krijgen we onze briefing in het hotel en eten we gezamenlijk.
Tot zover ons eerste bericht. Het gaat ons goed. Je hoort van ons.
Groeten, Adri en John.
Om 17.30 uur krijgen we de eerste briefing van Rashmi. Er zit vel onverstaanbare info bij. Niemand van de groep geeft een kik, maar achteraf blijkt vrijwel niemand de meeste info te hebben begrepen. Wat zijn we toch een beleefd volkje, en die Belgen ook natuurlijk. Al met al steken we wel het een en ander op over Calcutta en de tocht naar Sikkim.
Aansluitend begeeft de groep zich naar het Blue Sky eetcafé. Het is verder dan we vermoeden. Maar het loont. Het is erg warm in het kleine backpackerscafé. De Lonely Planet is op elke tafel het handboek. Het eten is goed, goedkoop. Het personeel informeel, maar men weet wat iedereen wil. Dat is wel lekker als je net in een wildvreemde wereldstad binnenstapt en je je weg nog moet vinden. We eten heerlijk van de Veg. Fried Rice en Masala en Tandoori Kebab. Zo’n Nan Garlic streelt je westerse tong. Het begint goed, het gaat mooi worden. Inclusief een liter mineraal water rekenen we voor het diner Rps 180 af.
Als we naar buiten stappen staan er veel bedelaars klaar. Ook de avondverkoop langs de gehele route terug naar het hotel gaat gewoon door. Om 23.00 uur, het is Nederland dan pas 18.30 uur, slapen we als een ……
Dinsdag 2 maart - 3e dag. Offers naast het Moederhuis.
We ontbijten in een ogenschijnlijk uitgestorven hotel. We hebben elk twee obers aan tafel in het verwaarloosde Chinese restaurant binnen de hotelmuren.
We lopen langs dezelfde route als gisteravond (zouden die mensen eigenlijk wel weggewest zijn?) naar het Metrostation Esplaned. We pakken een ticket voor 2 zones naar Khalighat.
Na wat navraag, de uitgereikte kaart is slecht, vinden we de tempel als snel. Hoe dichterbij we komen hoe vaker we ongevraagd de weg gewezen worden. Blijkbaar komen de mensen in deze buurt voor de Khalitempel en niets anders. Dicht bij de tempel worden we door een goed Engelssprekende man meegetroond: “Important, follow me, necessary”en meer van dat soort termen. We geven aan dat we geen gids willen, maar daar gaat het hem niet om, “You must…. Ja en toen dacht ik terug aan de gelezen info: Kijk uit voor bedriegers bij de Khalitempel. Sommigen geven aan dat je aan allerlei formaliteiten moet voldoen en moet betalen voordat je er naar toe kan. En dat terwijl je weet dat je toch de tempel niet in mag als niet-Hindoe. Zelfs met de traditionele Indiase kleding zouden we niet toegelaten worden We komen namelijk geen Indiërs van 2 meter tegen tijdens deze reis. Wij stoppen met die kerel te volgen en gaan onze eigen weg. Hij roept ons nog wat na over safety en protection……maar het geeft het al snel op. Te snel als je eerlijke bedoelingen hebt.
Khalitempel
Bij de tempel is het zeer druk. Voor de ingangen staan verkopers met bloemenslingers en andere offerproducten. Er staan lange rijen om binnen te komen. Bij ook al drukke achteringang worden vrijwel aan de lopende band jonge geiten geofferd. Mijn camera wordt weggeduwd als ik het wil vastleggen. Het is een bizar gezicht. Honderden mensen willen naar binnen. Ook gezinnen. Vader heeft een jong geitje aangeschaft om te offeren. Na het lange wachten volgen de vaste rituelen. De tempelgangers wassen gezicht handen en voeten. De geit wordt afgestaan aan de “beul” die het diertje snel met zijn horens achter twee bebloede houtenpalen klemzet. Het kromme zwaard doet zijn dodelijke werk. Als je het een paar keer ziet gebeuren maakt de verwondering over het schouwspel plaats voor boosheid over dit in onze ogen zinloze geweld. Welke god verlangt dit nu van je? Khali. Een paar uur kijken we rond de tempel naar de rituelen. Het boeit.
Er zit een onafgebroken rij bedelaars die rekent op de goedgeefsheid van de tempelbezoekers, die na hun gebeden allemaal wel wat goede daden willen verrichten. Vooral vrouwen houden rond het tempelcomplex hun hand op. Ze vallen ons er niet echt mee lastig. De ervaring heeft geleerd dat de Hindoes die uit de tempel komen al snel iets goeds willen doen..
Moeder Teresahuis
We zoeken, mede doordat we blijkbaar niet de juiste mensen de weg vragen, de kortste weg naar het Moeder Teresahuis. Dat ligt naast de Khalitempel dus. Bij de ingang is het stil. In diverse talen word je uitgenodigd binnen te komen in het huis van Missionaries of Charity. Dit huis was de allereerste vestiging van de organisatie onder leiding van de kleine vrouw van de Balkan.
We lopen vrijwel meteen de ziekenzaal van de mannen binnen. Het is er stil. De ruim 50 mannen liggen op stretchers die dicht bij elkaar staan. Bij een enkel bed staat een infuus en soms zie je een verplegende die met een patiënt bezig is. De liefde straalt je tegemoet. Ondanks de ernstig zieken en stervenden hangt er een ontspannen sfeer. Veel jonge vrijwilligers uit verschillende landen van de wereld helpen de katholieke zuster met hun goed werk. Het is etenstijd. Boven op het terras doet het “personeel”zich tegoed aan een sober maal waarvan we de doperwten en worteltjes herkennen. Wat verder naar achter is de vrouwenzaal. Op het schoolbordje staat het aantal van 42 vermeld. Bij de ingang wordt een jongetje met een beenwond snel opgevangen. Iedereen die hier aanklopt wordt geholpen. Het is maar goed dat veel inwoners van Calcutta dat niet weten.
We voelen ons erg welkom. We mogen overal rondkijken. Na een tijdje schrijven we bij de kleine non onze donatie in een groot boek. Ze bedankt ons vriendelijk en knikt met gevouwen handen als we weggaan.
Middagdutje
Per metro rijden we naar Park Street in het hartje van de stad. We eten in een moderne coffeeshop sandwiches met pittige kip en groenten. De luxe koffie zullen we later echt missen, dus vooruit nog maar even.
We wandelen terug naar het hotel en doen er een echt middagdutje. In de hotelhal spreken we de touristofficer aan voor een taxirit naar een ander deel van de stad. Volgens Rashmi kost een enkele reis naar ons doel een Rps 40. Dat krijg je als westerling nooit voor mekaar. Maar in het hotel vragen ze Rps 250. Dus wij naar buiten.
Zodra men merkt dat je vervoer zoekt, word je bedolven onder de aanbiedingen. Steeds meer mensen gaan er omheen staan en bemoeien zich ermee. Een taxiritje! Uiteindelijk regelen we voor Rps 300 een auto voor de hele middag.
We rijden eerst naar de Mellu Market aan de andere kant van de rivier. De toer is chauffeursbeste vriend. En dan de rijstijl. Een kermisattractie is er niets bij. Het is wel zo dat als je eerder in India bent geweest je weer heel snel went, ook is dit een totaal ander deel van dit enorme land.
Mellu Temple is een oase van rust aan de westoever van de rivier. We kijken in de tempel waar een gebedsdienst gaande is. Het is een soort Bhagwan groepering. Er zijn veel jonge monniken in de leer. Ook Europeanen. Er is een voorganger, muziek. Mooi schouwspel.
We lopen nog een keer langs de rivier voordat we de chauffeur vragen terug naar de stad te rijden. Het wordt een werkelijk razende rit. We willen naar de hoofdvestiging van het Teresahuis. Hoe kan dat nou? Dit is het hotel! De chauffeur weet blijkbaar de weg niet en dus rijdt hij terug naar zijn baas om de hoek van het hotel. Hij rijdt ons vervolgens razendsnel naar het smalle zijstraatje waaraan de ingang van het ook al weer sobere gebouw ligt. Het is de hoofdvestiging en het administratieve centrum van de organisatie. In de grootste ruimte staat een grote marmeren graftombe van Moeder Teresa. Er lopen wat toeristen. Een zeer kleine non nodigt ons uit binnen te komen en te kijken.
Aan de muren rondom het graf hangt de levensgeschiedenis van Teresa op eenvoudige kartonnen platen. Ook wordt het werk van de Missionaries uitgelegd. De non geeft ons een bidprentje en nog wat andere spulletjes. Ze wijst ons op een derde Teresahuis “Go Tomorrow”zegt ze ons. We hebben dan andere plannen. We doneren bij de uitgang nog maar eens wat. Weer schrijven we onze namen in een boek.
Eenmaal weer buiten wordt het al snel donker. We gaan op weg met de taxi. Als ik onderweg Park Ave op een straatnaambord zie, dan laat ik de taxi stoppen. We willen immers daar in de buurt eten.. We geven de chauffeur het afgesproken bedrag en terwijl hij meer vraagt sluiten we het autoportier achter ons. Stom, stom. Later blijkt dat Park Ave. iets anders is dan Park Street. Nou ja, dan lopen we ook bij avond, met het kaartje in de hand toch nog een stuk door de stad. Maar dat valt tegen. We zoeken naar de metro en die brengt ons snel naar de nette Parkstreet. We willen daar ergens eten. De aangeprezen Bar BQ is nog niet open. We internetten nog even nu met onze meiden.
Beste meiden,
Alleen zijn valt mee? Wij wennen al aardig zonder jullie. Dit bericht is natuurlijk alleen voor julllie en niet bestemd voor de website. Gaat hier prima hoor!
Vandaag zijn we per metro naar een tempel in het zuiden van de stad gereden. Heel veel mensen (Hindoes) die naar binnen wilden om te bidden. Buiten ook veel mensen natuurlijk. Op een offerplaats worden geiten geofferd. Geen prettig gezicht.
Daarna zijn we naar een huis van Moeder Teresa gegaan. Zo'n 50 mannen en 42 vrouwen worden daar verzorgd. Indrukwekkend, natuurlijk ook door de geschiedenis. Je mag overal rondkijken. Beetje raar idee zo de ziekenzaal op te gaan. We hebben natuurlijk geld gegeven voor dit mooie werk.
Terug met de metro, die op deze (Moslim) feestdag 's morgens nog behoorlijk rustig is. Even in het hotel gerust. 's Middags na wat onderhandelingen een auto geregeld voor een tweetal bezoeken. Een aan een hindoetempel aan de rivier, waar een soort dienst gaande was. Vervolgens naar het Centrale Moederhuis van Teresa. Daar hebben we de hele geschiedenis bekeken.
Vervolgens lieten we ons op een verkeerde plaats afzetten, maar de metro bracht uitkomst.
We zitten nu in het centrum, het wat rijkere deel van de stad. Veel armoede en ellende gezien vandaag. Hier, het is nu 19.00 uur gaan we zo ergens een hapje eten.
Nou Lin en Mo, dat was het dan voor deze keer. Je leest het. Het gaat ons goed. We genieten, zijn eigenlijk al geacclimatiseerd en hebben er zin in.
Liefs van Paps en Mams (of andersom)
We laten ons de rijst en de veg. Chow Mein goed smaken, zeker nadat we het teruggestuurd hebben om het echt goed warm te maken. De grote fles bier (650 ml) is snel leeg. Je zweet wat af in deze stad. Het is vandaag een feestdag. Dat blijkt weer als we uit de metro stappen en in een optocht terechtkomen. Het zijn vooral jongeren die bij de optocht betrokken zijn. Na een rustige wandeling terug maken we zelf nog een kop koffie.
Woensdag 3 maart 4e dag “No cheques”
Tekst uit Reisbrochure: Overdag kun je nog rondkijken in de stad, maar aan het begin van de avond nemen we de nachttrein richting Himalaya. Je slaapt in gereserveerde couchettes, maar het is wel handig om je eigen lakenzak/slaapzak (naar gelang het seizoen) bij je te hebben. Een treinreis door India is een belevenis op zich. Bij elk station voeren bonte groepen verkopers, schoenpoetsers en muzikanten een show op om een paar rupees te verdienen. De volgende ochtend zie je bij het ochtendgloren vanuit de trein in de verte de Kanchenjunga liggen, de op twee na hoogste berg ter wereld en misschien wel de mooiste. Hij torent uit boven het voormalig Tibetaanse koninkrijkje Sikkim en wordt aanbeden als een god.
Rond 8 uur zitten we aan het ontbijt in de Blue Sky. We hebben alle tijd. Het museum aan het eind van de straat gaat pas om 10 uur open. We praten een poosje met een gepensioneerde piloot van Eastern Airways uit de VS. Hij werkte vroeger onder meer ook in het jongerenhuis van Teresa.
Het museum is zelf rijp voor een museum. Het is al 190 jaar oud en sindsdien lijkt er niet veel veranderd. Er is heel erg veel erg onoverzichtelijk opgesteld. Honderden van donker hout gemaakte vitrine kasten zitten vol, met botjes, skeletten en weet ik niet wat. Enorm wat een show. Het bijzonder van dit museum vinden wij dat dit zelf zo bijzonder is. Van de beloofde geschiedenis van onder meer de stammen die we later deze reis hopen te bezoeken is niet veel te vinden. Fotograferen mag eigenlijk niet. Op een stiekem plaatje leggen we toch iets van de sfeer vast.
Rond 2 uur rusten we wat in ons hotel, waarna we proberen wat travellerscheques te wisselen. Die van American Express dus. Op de bank staat met grote letters “American Express”. Bij de ingang worden we tegengehouden: “No cheques”. Je bek valt open van verbazing. Als het hier niet kan, waar dan wel? Bij een ander AE kantoor verderop de stad in. Hoewel we nog een voorraadje cheques hebben nemen we onmiddellijk een kloek besluit. Nu weten we het zeker: geen travellercheques mee. Nadat Adri in de VS vorig jaar al alle vingerafdrukken moest laten opnemen voordat er een cheque werd uitgekeerd hadden we al zo onze twijfels. Na vandaag niet meer.
De ATM (geldautomaat dus) van AE accepteert geen giropas. De ATM bij het hotel doet het niet, maar de tweede doet het wel. De roepies stralen je tegemoet.
In de Blue Sky dineren we rond 5 uur. Vroeg weliswaar, maar we hebben een reisschema voor de avond. Om 6 uur zijn we onderweg naar het station van Calcutta.Het is erg druk. De idioot grote bus loopt vast in het verkeer, maar de Indiase mentaliteit gaat ons al goed af. Het komt goed.
“Darjeeling Mail"
Als de deur van de bus bij het station opengaat wedijveren tientallen dragers om onze tassen. We laten het sjouwen aan één van hen over. Hij neemt beide tassen op zijn nek. Het zal een flink stuk lopen zijn. En het klopt. Alleen het perron zelf op dit kopstation is al giga lang. De nachttreinen in India zijn lang en tellen tientallen wagons met elk 72 plaatsen. Althans de 2e klas couchettes, waar wij onze intrek in zullen nemen.
De trein, de “Darjeeling Mail", vertrekt om 19.30 uur, keurig op tijd.
Het is een heel gedoe. Met zijn zessen in een kleine coupé. Op de grote bagagestukken van de westerse toeristen is niet gerekend. We komen er wel uit, of beter erin hoor.
Rond halfelf gaan de couchettes uit en zoeken we onze slaapplaatsen op. Adri kruipt onder het dak. Ik blijf helemaal beneden. Het wordt na een aantal stops wat rustiger in de volle trein. Het aantal verkopers, schoenpoetsers en bedelaars neemt sterk af.
Donderdag 4 maart 5e dag Himalaya
Tekst uit Reisbrochure: Vanaf het station Siliguri, waar we aankomen trekken we met een busje dat klaarstaat de Himalaya in. Je zult smullen van de uitzichten. In een rit van vier uur stijg je tweeduizend meter en veranderen landschap en flora geheel. Rond de lunch ben je in Darjeeling. Dit stadje ligt op een bergtop in het voorgebergte van de Himalaya op een hoogte van 2100 m. In de 19de eeuw bouwden de Britten hier een hill-station om af en toe te kunnen ontsnappen aan de hitte van de Indiase vlakte. Darjeeling is nog steeds een geliefd toevluchtsoord van de Indiërs. Het stadje geeft uitzicht op Indiaas hoogste berg de Kanchenjunga (8598 m). In de omgeving zijn onafzienbare theeplantages waarvan de opbrengst tot de beste kwaliteit ter wereld behoort. Tot de mooiste dingen die je kunt doen behoort het beleven van de zonsopgang op Tiger Hill. Als de eerste stralen van de zon de top van de Kanchenjunga beschijnen dan is dat een magisch moment. Op heldere dagen is zelfs de Mount Everest te zien. Verder kun je volop in de omgeving wandelen, maar de sfeer van het plaatsje zelf is eigenlijk voldoende om je bezig te houden. Je slaapt twee nachten in een comfortabel hotel met een schitterend uitzicht.
Het bed in de trein is voor mij te kort en het tocht door de kieren van het raam. Ik haal allerlei toeren uit om mijn draai te vinden en het lukt uiteindelijk om een aantal uren te slapen. Nog voordat het licht wordt komt de eerst theeverkoper al luidroepend langs. “Czai”.
Om een uur of zes is iedereen weer bij de mensen en zijn de couchettes ingeklapt. We ontbijten met koek. De trein rijdt ruim een uur te laat het station van New Jalipur binnen.
Er zijn twee jeeps paraat. De bagage gaat op het dak. De ruimte in de jeep is beperkt. Dat wordt klemzitten. Na een kort ritje stoppen we al in Siliguri voor het ontbijt. Lekker zo’n omelet.
Het is hier trouwens flink koel. We beseffen dan nog niet dat we nog een flink eind de bergen in moeten en dat we dan pas zullen merken hoe het hier kan afkoelen.
Darjeeling
Met slechts 1 stop rijden we naar Darjeeling. De met romantiek omgeven naam is die van een bergstadje dat overloopt van de Engelse herinneringen. Als je Darjeeling zegt dan zeg je thee en dat klopt. Het plaatsje ligt ingeklemd tussen de theeplantages.
Om halfdrie rijden we voor hotel Homit. Het is koud. De stad ligt in de wolken. We schatten tussen de 5 en de 10 graden.
Het beloofde prachtige uitzicht in ons hotel beperkt zich tot een rij krotten. Ja de omgeving is zeker bij helder en mooi weer prachtig, maar in Darjeeling is ook veel erg lelijk. Na wat instructies van Rashmi wandelen we Darjeeling in. Het begint goed. Bij Glenary’s Backery doen we ons tegoed aan thee, cake en kokosmakronen.
We lopen nog wat rond en verdwalen prompt. Het bergdorp zit naar ons idee niet zo logisch in elkaar. Dat is natuurlijk niet waar. We kunnen alleen onze weg nog niet vinden. Mede door het volstrekt niet gelijkende kaartje raken we behoorlijk de weg kwijt. Met wat vertraging zijn we ruim na zes uur bij het hotel terug vanwaar we gezamenlijk naar het afgesproken restaurant lopen: jawel Glenary’s , het restaurant dit keer. We eten er zeer relaxed en wel luxueus. Het wordt onze duurste maaltijd tot nu toe. We gooien er zo’n slordige 500 Rps doorheen.
Vrijdag 5 maart 6e dag Allah el Akbar
Om halfvijf in de ochtend schalt “Allah el Akbar” uit een in elk geval dichtbij opgestelde luidspreker. Dat moet één van die Engelse overleveringen zijn. Twee uur later laten we ons echt wekken door onze eigen wekker. Als we om zeven uur naar het restaurant van het hotel afdalen maken we eerste het personeel wakker, waarna we aan één van de tafeltjes plaatsnemen. Om halfacht wordt met slaperige ogen het ontbijt met het gebakken eitje geserveerd. De rest van de groep is ondertussen heel vroeg afgereisd om overigens niet voor niets hoog op de Tigerhill de zon op te zien gaan. In India gaat de zon nu eenmaal niet voor niets op. Zelfs niet als het zo mistig is dat je geen hand voor ogen kan zien. We kunnen geen garanties afgeven…, sir.
We regelen een jeeptaxi naar Gnoom, een km of 9 verderop. We bezoeken daar een klooster. De monniken zijn, het is inmiddels al half negen, aan het werk in het dorp beneden. Er zijn er nog wel een paar om ons te ontvangen. Eén van hen doet voor ons de tempel van het slot. Het is leuk om even te kijken. Alleen al die verschillende Boeddha-afbeeldingen. Er staan stapel Tibetaans Nieuwjaarsbrood. Het is zo weet men ons te melden Tibettaans Nieuwjaar. Het brood ziet er uit als een soort schoen. Er liggen rijen gebedsboeken in de rekjes aan de kant. Als ik mijn camera uit de tas pak wijst de monnik er bescheiden op dat foto’s 10 Rps per stuk kosten.
Ik maak wat opnames, schrijf in het grote boek en betaal de monnik. Buiten schijnt de zon soms. Hij is toch opgekomen. Een groepje Tibetanen viert op het voorplein nieuwjaar. Ze planten een nieuwe gebedsvlag, die met allerlei ceremoniën en gebeden wordt ingezegend. Dat gaat allemaal onder soms luid gebel, een trommeltje, het gooien van rijst en schenken van wat olie. Een rokerig vuur maar het beeld compleet.
We worden nadrukkelijk uitgenodigd erbij te komen. Ook als er foto’s van dit belangrijke moment gemaakt worden moeten we er persé ook op.
Koffie
De taxi hobbelt terug over de losse stenen van de steile bergweg. Als we bij het hotel zijn afgezet lopen we het dorp in.
We kopen ansichten, nieuwe batterijen voor de camera en we zoeken op de kaart en vinden de weg naar het postkantoor, toch de enige plaats waar men postzegels verkoopt. Op een kaart of brief naar Nederland gaat omgerekend € 0,16
We drinken een lekkere bak koffie, waarna we richting Zoo gaan. Onverwacht staan we onderweg al oog in oog met wat loslopende apen. We verwachtten ze hier niet. Het is hier immers behoorlijk fris. De Zoo stelt niet veel voor. De dieren zijn allemaal wel goed verzorgd, maar de kwaliteit van de verblijven is ver beneden de maat. We betalen Rps 5 toegang voor de Zoo en voor ook Rps 5 erbij krijgen we toegang tot het Himalaya Mountain Institute (HMI), het eigenlijke doel van ons bezoek. De sneeuwluipaard ligt een dutje te doen. Ook de andere dieren vertonen geen kunstjes. Het HMI is een bezoek zeer waard. Het verhaalt over de groten onder de Himalayabelimmers. Het valt op dat de Mount Everest veruit de populairste berg is. De Kachenjunga, hier vlakbij is maar een paar honderd meter lager, maar die is maar een paar keer beklommen. Natuurlijk neemt Hillary, de eerste echte bedwinger van de Mt Everest een belangrijke plaats in het museum in. Darjeeling heeft een soort scharnierfunctie naar de Himalaya. Hier zijn de laatste comfortabele overnachtingsmogelijkheden. Hier eenmaal voorbij kom je de natuur tegen.
Happy Valley Tea
Volgens onze schriftelijke informatie is er aan de achterzijde van de Zoo een fokcentrum voor sneeuwluipaarden. We lopen zoals geadviseerd helemaal buitenom, maar op de aangegeven plaats is er geen fokcentrum. Als we het vragen: “Not anymore…”
Daarna gaan we voor wat onze wandeling betreft een beetje de mist in. Het kaartje is echt knudde.
Het is en schematische voorstelling, waardoor je niet weet waar je bent. Ook de verhoudingen kloppen niet. Daardoor lopen we steeds een verkeerde kant uit. Gelukkig is de omgeving mooi.
Eenmaal op het goede pad zien we een klein uur later de Happy Valley Tea Plantation. Het ziet er daar beneden erg stil uit. Kunnen we er wel in? Volgens een Italiaan met een Lonely Planet in de hand zou het open moeten zijn. Ook de bovenbuurman bevestigt dat het om deze tijd open moet zijn. We houden de stoute schoenen aan en beginnen aan de steile afdaling. Onderweg melden twee Israëliërs ons dat de theefabriek niet open is, maar dat het de moeite loont door te gaan.
In de laatste bocht in het pad naar de Valley staat een huisje waar een Nepalese vrouw ons graag wil ontvangen.
Ze is werkneemster van de fabriek en speelt handig in op het gesloten zijn van de fabriek. De theeoogst begint dit jaar zeker drieweken later. Droogte en koude zijn de oorzaken.
De vrouw vertelt ons samen met een tweetal Hongaren hoe het oogsten gaat en waarom de Tippy Top Tea de beste van de hele wereld is. Dit is thee van de eerste pluk, waarvoor alleen een cm van het topje van elk takje gebruikt wordt. Natuurlijk kopen we wat van deze topkwaliteit.
We lopen onderlangs over een smal pad terug. Dat is dan weer één van de leuke momenten, waarop je onverwacht tussen deze noordelijke Indiërs een wandeltocht maakt. We ontmoeten dan best veel vriendelijke plaatselijke bewoners. Ook een aantal scholieren op weg naar huis kruisen ons pad.
Na een half uur staan we op de drukke markt van Darjeeling. Eindelijk iets te eten en wel in een filiaal van de Glenary’s. We genieten er van een vegetarisch saucijzenbroodje en nemen een koek voor onderweg mee.
In het hotel maken we thee en smullen we an de koek. Om 6 uur precies is Allah weer el akbar. Het is dan ook vrijdag.
Er zijn geen groepsleden te zien in het hotel. Als we travellercheques willen wisselen in het hotel vertelt de receptionist dat we Rps 100 per cheque aan kosten moeten betalen. Dat is te gek. Ik wil de baas zien. De jongen gaat me voor en we lopen een stuk door het dorp. Bij een juwelierszaak zit de baas gehurkt achter een lage toonbank. De baas geeft de fout snel toe. Ze moeten Rps 100 rekenen per honderd dollar. Dar willen we het wel voor doen. De woekeraar trekt een paar dikke stapels biljetten uit de kluis. Geld genoeg.
We kijken even op het internet en naar de mail. Er is weinig te melden.
We eten heel eenzaam in Shangri La. Er is tweemaal zoveel personeel als er gasten zijn. We hebben dus 4 obers aan tafel. Verderop zit de kassier geduldig te wachten tot we bij hem komen afrekenen. We eten er overigens voortreffelijk.
Terug in het hotel met een paar liters water onder de arm krijgen we de verklaring voor de stilt in de groep. Er zijn wat zoeken. De Belgen en Mariëlle en Claudia zijn ziek. Ook Jeroen heeft het te pakken> Alleen Alfred schijnt het nu redelijk te doen. Wij horen het met onze goedgevulde maag aan en nemen er nog een drankje bij.
Zaterdag 6 maart dag 7
Tekst uit Reisbrochure: Een rit van circa zes uur door de bergen, soms met dichte jungle vol orchideeën en doorsneden door woeste bergstroompjes, dan weer over steile berghellingen met rijstveldjes en prachtige vergezichten brengt ons naar Pelling, een snelgroeiend stadje op een hoogte van 2100 m. Je hebt er een magnifiek uitzicht over een deel van de Himalaya-bergketen en de Kanchenjunga. Vanuit Pelling kun je naar het 3 km verderop gelegen Pemayangtse klooster wandelen. Het is een van de oudste kloosters van Sikkim en ligt op een heuveltop (2105 m) met een panoramische uitzicht over de omringende heuvels. Het gastvrije klooster huisvest antieke religieuze voorwerpen, en er worden op vastgestelde tijden mooie festivals gevierd.
Het is tien over halfacht als de eerste jeep start richting Pelling. Sikkim ligt eigenlijk heel dicht bij, maar we kunnen maar bij een enkele grensovergang het kleine koninkrijk binnen. We rijden zeker 40 km extra om bij Mellibazar, de grensovergang te komen. Op de brug rusten we wat en we gaan daarna lopend over de grens. Rashmi heeft de passen al geregeld. Na een flink rit zitten we 2 uur later in de Naya Bazar achter een koel colaatje.
We zien weinig van de omgeving. Mist, nou eigenlijk wolken. Erg jammer, de beloofde mooie vergezichten gaan aan onze neus voorbij. Tussen de middag in Nowa Bazar is het zonder trui nog te doen. Na de stop daar stijgen we flink door. Het wordt met de meter kouder. Het is halftwee als we het mistige koude Pelling binnenrijden. Het lukt letterlijk nergens om in dit godverlaten oord iets te eten te krijgen.. we leven maar op wat crackers en koekjes.
Lange hoorns
We lopen naar het Pemayangtse klooster, en kilometer of 3 verderop. Er is een drukte van belang, buiten, binnen is een dienst gaande. Er zijn wel erg jonge monnikjes vandaag. Natuurlijk zijn de voorgangers oude wijze monniken.
Men blaast op de lange hoorns en de grote trommen dreunen tijdens en tussen de gebeden. De tempel heeft drie etages.
Op zolder staat een soort pagode achter glas. Op de eerste etage is een grote gebedsruimte. Na afloop wordt ons iets te eten aangeboden. Iedereen in het klooster eet na afloop iets. Een stukje fruit, brood, een kaakje of een snoepje.
We wandelen terug en kijken tegen beter weten in of Pelling iets te bieden heeft. Niet dus…. Géén eten, géén internet, géén uitzicht, géén warmte en in het hotel ook nog eens géén drinken.
We weigeren de ons aangeboden kamer. Slechts 1 van de 7 aanwezige lampen doet het. Ook het toilet weigert hardnekkig door te spoelen. Nieuwe lampen pakken is moeilijker dan een nieuwe kamer aanbieden. Dus we verkassen.
Dat wordt dus niks
Volgens de aanwijzingen bestellen we twee uur voor etenstijd onze maaltijd. Even later wordt op onze kamer gemeld dat de eggroll echt niet gaat lukken.
Mariëlle stelt voor zelf een excursie te regelen. Nou, dat hebben we geweten. Om de één of andere reden was de gedachte bij ons opgekomen dat de excursie van morgen wel op een hoog bedrag per persoon uitkwam. Mariëlle had bij toeristenbureautjes mooiere aanbiedingen gezien. Nou ik ga met haar naar die aanbiedingen kijken. Een ruime jeep waar we allemaal in zouden passen voor het bedrag dat wij denken per persoon kwijt te zijn, zo’n 1200 Rps. Ik ben natuurlijk achterdochtig als het om zitruimte gaat. Want die Indiërs kruipen net zo makkelijk met 2 op één stoel. Nou dat wilde ik dan wel eens passen. Onder veel belangstelling uit het dorpje probeerde ik de jeep in te schuiven. Dat was al te klein. Dat wordt dus niks.
Wij weer terug naar het hotel. Waar we Rashmi aanspreken over onze bezigheden. Hij meldt ons dat de genoemde prijs niet per persoon is, maar per jeep.
Nu is er echter wel een probleem veroorzaakt, want door gedwongen afspraken is men hier verplicht lokaal vervoer te gebruiken voor lokale activiteiten. Hij had stiekem weg willen rijden met onze jeeps, maar nu worden we in de gaten gehouden. Rashmi regelt alsnog dat we met één eigen jeep en één ingehuurde op stap zullen gaan.. Zo zie je maar. Je moet je neus niet…
Het is koud hier. Het al vroeg bestelde eten komt nog een half uur later. Ook in het restaurant is het koud. Het eten is matig van smaak, vlak. Verder is alles natuurlijk zo koud in het ijskoude restaurant en de ijskoude borden. Drinken bij het eten? Eh we hebben alleen bier. De bestelde thee, want dat kon nou ook weer wel komt pas na het eten.
We babbelen ons nog wat warm.
Dat lukt maar ten dele. In de koude kamer ontsteken we alle lampen en de tv om een graadje te winnen. Onder het dekbed en met de handen bij een kaarsje genieten we van een zelf gemaakte kop koffie. Wat geniet je dan van iets simpels als een oploskoffie.
Zondag 7 maart dag 8 - Pelling
Tekst uit Reisbrochure: Vrije dag in Pelling. Je kunt optioneel mee voor een dagexcursie per jeep naar het door kardemom plantages omgeven Yoksum. Het kleine stadje is de bakermat van het boeddhisme in Sikkim en was de eerste hoofdstad van dit land. Je kunt er heerlijk wandelen, kloosters bezoeken en genieten van de berggezichten. Een andere optionele mogelijkheid is een bezoek per jeep aan het Khecheopari Meer. Dit wordt beschouwd als een van de heilige meren van de staat door zowel boeddhisten als hindoes. Het meer ligt verscholen tussen de bossen en is fotogeniek gedecoreerd met kleurige gebedsvlaggen. Het wordt als zo heilig beschouwd, dat vogels er zelfs voor zorgen dat er nooit een blaadje op blijft drijven.
Het is halfzeven als de Tata-jeep de benevelde bergweg oprijdt naar het Sangachoeling klooster. Aan boord Claudia, Mariëlle en wij. Het is maar 1 km, maar een koude route. Van de weg klimmen we recht omhoog. Na een minuut of 20 neemt het aantal gebedsvlaggen toe. De mist probeert de zon te verbergen en de zon doet zijn uiterste best de mist te verdrijven.
Eenmaal boven treffen we een kleine leefgemeenschap aan. Een tempel, een schooltje, wat huisjes. Het is er niet zo schoon. We zien een monnik en een werkman. De laatste maakt de toegang tot de 1e etage voor ons open. Het is duidelijk een arme samenleving hier, want er zijn maar weinig gebedsboeken. Het is één van de oudste kloosters van Sikkim. Het is in 1965 gerestaureerd. We wandelen er rustig door met onze blote voeten op de koude vloer. De monnik bekijkt het. Hij schuift op kleedjes ter grootte van zijn voet door het gebedshuis Het is donker binnen. Een schaarse lamp en tl-buis worden wel ontstoken.
Buiten speelt de zon nog met de mist. De wind doet ook een spel met de mist en de gebedsvlaggen. Ik maak een foto van twee kinderen, een derde rent angstig weg als ik de camera pak. Ze kijken ons wat apathisch aan. Ze zijn al een poosje niet gewassen.
Beneden wacht de jeep die ons naar het hotel brengt oor het ontbijt. Daar doen we lang over. Tijd is hier geen geld. Het gaat zo langzaam.
Dan vertrekken we met twee jeeps naar het Kechepari Lake, het heilig meer, 1840 meter boven de zeespiegel. Af toe komt het zonnetje door. Het meer is verborgen achter de bossen. De paden zijn nat en glad. Claudia Adri en ik ondernemen een poging om rond het meer te lopen. Het lijkt te lukken. Op ¾ loopt het vast. We moeten weer terug. Op de terugweg komt Rashmi ons al tegemoet, we moeten verder. Ik schiet toch nog wat foto’s van de gebedsmolens op de steiger.
De eerste grote druppels vallen. Op naar Yuksom. Als we er aankomen is het dreigend donker geworden. Onweer, flinke regens. We vluchten min of meer het ogenschijnlijk enige hotel binnen. Dan barst het noodweer pas goed los. Ook hier is het erg koud. Een paar meter hoger valt de sneeuw. We proberen van de nood een deugd te maken door een lunch te bestellen. Nou dat leverde zo’n 2 uur wachttijd op. Alles moet nog ingekocht worden. Nou ja het regent toch flink daarbuiten.
Het licht valt regelmatig uit. De enkele kaars biedt weinig uitkomst in het steeds voller wordende restaurant. Het is al over twee uur als we naar the first Chogyal lopen. De eerste kroningsplaats van de koning van Sikkim. Men noemt het de geboorteplaats van Sikkim. We lopen in een zacht regentje langs de gesloten tempels. Achter een stupa staat de stenen kroningstroon, de bakermat van Sikkim. In de afdaling maken we bij een klein mooi gelegen heilig meertje nog wat foto’s. Als we om 16.00 uur terugrijden stoppen we nog bij een heel koude waterval. Het is al te donker om te fotograferen.
Om 18.00 uur bestellen we ons eten vast vooruit in hotel Garuda, de concurrent. Volgens de dienster kunnen we alles op de kaart bestellen. Als we kip, het enige vlees op de kaart bestellen krijgen we nul op het rekest. Men heeft hier al een tijd geen kip gezien. Dan maar veg. We kopen in een klein winkeltje wat te drinken en daar zit een kleintje Bacardi bij.
In de kamer maken we weer even een hete koffie. Terwijl we onder de dekens ons opwarmen komt de jonge ober aankloppen. Of we nog willen bestellen. We vertellen hem netjes dat we het eten niet geweldig vonden en dat we elders eten. Teleurgesteld druipt hij af. We moeten nog afwachten hoe het in Garuda is. Men is er sneller met het serveren en het is goed eetbaar. De gebakken aardappels, de rijst en de roti combineren we met wat vegetarische gerechten. De ander Hollanders kiezen voor pannenkoeken. Wow pannenkoeken in de Himalaya. We proberen nog een telefoontje te plegen. Het kantoortje is al dicht.
Maandag 8 maart dag 9 Na regen komt uitzicht. “Inconvenience Regretted”
Tekst uit Reisbrochure: We rijden vandaag naar Rumtek, maar bezoeken eerst onderweg Tashiding. Het 18de eeuwse Tashiding klooster is gelegen op de top van een heuvel. Het klooster is voornamelijk beroemd vanwege het heilig-water-festival, beter bekend als Bhumchu. Pelgrims komen op een vastgestelde tijd hiervoor van verre om de zegening van het heilige water te krijgen. Het heilige water zit in een pot en is officieel verzegeld. Eenmaal per jaar wordt het door de lama’s van het klooster te voorschijn gehaald, alleen maar om aangevuld te worden en weer terug gezet te worden. Het niveau van het water in de pot voorspelt de toekomst voor het komende jaar. Als de pot nog maar half vol is, betekent dit dat het komende jaar vredig en voorspoedig zal zijn. Een droge pot betekent hongersnood en een volle pot betekent bloedvergieten en verstoringen. Het festival gaat natuurlijk gepaard met dans en muziek.
Niet ver van Gangtok ligt het belangrijkste klooster van Sikkim, Rumtek. Het huidige klooster werd in de jaren zestig gebouwd door zijne heiligheid de Gyalwa Karmapa, de belangrijkste religieuze leider van de Tibetaanse boeddhisten na de Dalai Lama. Gyalwa Karmapa was de zestiende Karmapa en zetelde in Sikkim nadat de Chinezen Tibet in bezit namen. Het is het grootste klooster van Sikkim en een fraai voorbeeld van Tibetaanse architectuur. Het verhaal gaat dat de eerste Karmapa, nadat die jaren in een grot gemediteerd had, door tienduizend feeën werd gefeliciteerd waarna ze hem ieder een pluk van hun haren aanboden. Deze haren werden ingeweven in een zwarte hoed die zich nog steeds in het klooster bevindt. De hoed vliegt weg als ze niet in de hand wordt gehouden of in een doos zit. Tijdens sommige ceremonies wordt de hoed gedragen. We overnachten een nacht in Rumtek in een eenvoudig guesthouse dat op tien minuten lopen van het klooster ligt.
Eindelijk. De regenbuien hebben de wolken verdreven en daar… ja daar liggend e giganten van de Himalaya. De zon maakt de sneeuwtoppen blinkend wit. Natuurlijk eerst foto’s maken en kijken, welke berg ligt waar. Het gigantische panorama geeft je geen idee hoe hoog de bergen zijn. Daarvoor zijn ze allemaal te hoog.
“No hurry, no worry”
In een aantal etappes rijden naar Rumtek. Eerst doen we in Tashiding een klooster aan waar veel pagodes omheen staan. Als de tempel zelf dicht blijkt te zijn ontmoeten we in een kleine tempel wel een biddende monnik. Op de stenen er omheen is erg veel geschreven. Nu het opgeklaard is, is het trouwnes ook niet meer zo koud. Het is de aanloop naar wat ons later deze reis te wachten staat. Nu genieten we van het overdadig schijnende zonnetje, straks zullen we smeken om een schaduwplekje. Onderweg zien we reparaties aan de weg. Mensen zijn asfalt aan het wokken zeg maar en gieten dat in de scheuren van de weg. De overlast voor de weggebruikers wordt verontschuldigd door het veelgeziene bord “Inconvenience Regretted”
Men heeft hier trouwens toch een handje van ludieke bordjes langs de weg. Om te voorkomen dat men te hard rijdt: “How far can you go”en “No hurry, no worry” Na de lunch in Bazar, waar we onder meer het Tibetaanse Pork Momo eten, rijden we in 2½ uur naar Rumtek de zetel van de heilige Karmapa, die vandaag de dag zo ongeveer een jaar of 20 moet zijn.
We worden afgezet bij een guesthouse. Een kamer met een dubbelbed dat is alles. Het zal later een luxe blijken.
Het is inmiddels na vieren en met zijn zessen lopen we langs de weg omhoog naar het oude klooster.
Het lijkt gesloten, maar 2 jonge monniken helpen ons binnen. We krijgen alles te zien. Ook de kamer met de doodskoppen en allerlei geamputeerde lichaamsdelen. Verder ontbreken de draken en de roofdieren niet. Een vreemde bedoening hoor.
Ze staan toe dat we het schooltje op de 1e etage bezoeken. Er zit een elftal kinderen. Ze lezen hardop teksten uit de heilige geschriften. De meesten zijn door onze komst echter niet meer bij de les. De allerkleinsten hebben geen teksten maar plaatjes voor hun neus. Ze kijken er verveeld naar. Die lange Hollander is eigenlijk veel interessanter.
We lopen weer langs ons guesthouse terug naar het kruispunt. Er is een winkeltje waar we water kopen. Met Claudia en de Belgen (ja hoor) duiken we een kroegje in. Het licht valt langdurig uit. Eén kaars brengt voor het hele eetcafé een zeer van licht. Aan de overkant spelen monniken bij kaarslicht een spelletje zeg maar schuifsnooker. Ook in het café zijn nogal wat monniken met een spel bezig. Als de klaarblijkelijke hoofdmonnik met de auto voor het café stopt stuiven ze uiteen en verdwijnen in het donker.
De elektriciteit blijft ons in de steek laten. We lopen terug en juist nu heeft natuurlijk niemand een zaklampje. Het is wel erg donker hier zeg. Bijkomend voordeel is wel dat de hemel zoveel sterren toont dat ik zeer onder de indruk raak. Heb ik dat ooit eerder gezien? Zoveel?
Rond 19.30 eten we bij het licht van een gaslamp gezamenlijk wat de pot schaft. Het is een vegetarische momo met noodles. Het smaakt prima. Als het licht weer aangaat is het aantal zichtbare sterren aanzienlijk minder. Zeker geschrokken van de lichtzee hier in Rumtek.
Er wacht ons een koele nacht op harde bedden.
Dinsdag 9 maart - dag 10 Rumtek
Tekst uit Reisbrochure: Opnieuw hebben we een schitterende bergrit naar Gangtok, de ontspannen hoofdstad van Sikkim. Het vriendelijke stadje ligt op de berghellingen van de Himalaya op een hoogte van 1500 meter. Er zijn oude tempels en het voormalig koninklijk paleis. Ook worden er regelmatig festivals gehouden met maskerdansen. Bijzonder is ook het Namgyal instituut van Tibet. Het staat op een heuvel boven het stadje. Hier is een belangrijke collectie voorwerpen en documenten uit Tibet ondergebracht. Vlakbij het instituut staat de witte Do-drulchorten, een stoepa en een seminarie voor de opleiding van lama's of monniken. Er staan prachtige gebedsmolens. Bij het Enchay klooster staat een orchideeënkwekerij die zich specialiseert in de ruim vierhonderd soorten die in Sikkim voorkomen. Je overnacht twee nachten in een goed middenklasse hotelletje.
“No entry”
We gaan eerst naar het grote klooster van Rumtek, de zetel van de Karmapa. Hij is er niet dat weten we.
Hij verblijft nu zuidelijker, maar straks in de zomer is dit zijn plek. We gaan via een binnendoor weggetje steil naar boven. Het klooster wordt ook hier streng bewaakt. We worden gefouilleerd voordat we worden toegelaten. Vanaf de gebouwen worden we goed in de gaten gehouden door militairen. Hoewel de Karmapa er niet is gaat de tempel speciaal voor ons wel open. Het is er wel erg mooi. Centraal staat de hoge troon. Voor een lullig trapje staat een bordje met “No entry” Jammer genoeg mogen we nergens de camera hanteren. Er hangen uitgetrokken fotorolletjes als waarschuwing. De veelal jonge monniken, ze doen een jaar of langer dienst voor de familie-eer, wonen om de tempel. Er is een keuken met zeer grote potten. Ze eten een soort pap voor het ontbijt. Als ik mijn camera in stelling breng waarschuwt men mij al snel. Ook de keuken en de eetzaal mogen er niet op.
Na het ontbijt luidt de schoolbel. Een jonge monnik belt vanaf het terras boven de ingang. Het beeld in deze nog prille ochtend doet me denken aan “The Empire of the Sun”, de indrukwekkende Hollywoodproductie over China. Iedereen verzamelt zich bij de vlag en men zingt er, naar we veronderstellen, het volkslied van Sikkim.
Als de school begint dalen we via de hoofdingang af naar ons guesthouse. Onderweg kijken we nog in een ander gebouw naar de gouden stupa (er is een kaart). Eenmaal terug in de guesthouse laten ons het Tibetaanse ontbijt goed smaken. Dan vertrekken we richting Gangtok, de hoofdstad, die we aan de overkant van het dal kunnen zien liggen. Het is toch nog een uurtje of 2 rijden. In het centrum betrekken we ons hotel, waar we met moeite het warme water aan de praat krijgen.
We luieren wat, even in de zon, heerlijk en dan echte koffie bij de Backery.
Om 15.00 uur is de State Bank of India weer een uurtje open. We wisselen er onze laatste travellercheques. Wat een bank. Heel veel handwerk. Er staan beeldschermen. Een enkele staat aan. Men werkt er nog met een DOS besturing, inderdaad van de vorige eeuw. Verder is het er rommelig en het gaat er allemaal erg onpersoonlijk toe. We merken dat overigens wel vaker in dit soort instellingen. We komen uiteindelijk op de 2e etage aan een bureau te zitten. Ernaast kijkt iemand toe, nieuwsgierig wat er allemaal gebeurt. Het lijkt een beetje erop dat dit een vriend van de employee is die gewoon een beetje komt kijken. Als alles tienmaal is geteld en de handtekeningen zijn gezet moeten we naar de begane grond. Daar hoort de kassier te zitten. Die is er niet maar na een paar minuten zegt hij dat hij op de papieren wacht die van boven moeten komen…. Maar goed uiteindelijk … geld tegen een goed koers en een kleine commissie.
We kijken nog wat rond, lezen wat. Lunchen en dineren doen we in The Blue Sheep.
We wandelen nog wat rond en bellen net voor sluitingstijd naar Nederland, waar we een verkouden Monique aantreffen.
Woensdag 10 maart, dag 11 200 slippers
Tekst uit Reisbrochure: Vrije dagen in Gangtok. Liefhebbers kunnen per jeep mee naar de afgelegen kloosters Phodong en Labrang, maar je kunt ook op eigen houtje in Gangtok rondkijken. Het Phodong klooster behoort tot de Karyupa sekte (karmapa) en is aan het begin van de 19de eeuw gebouwd door de Chogyal Gyurmed Namgyal. Het is een plek die maar door heel weinig toeristen bezocht wordt en de leerling monniken vinden het buitenlandse bezoek schitterend. Even verderop ligt het Labrang klooster, zo’n 100 jaar later gebouwd en behorende tot de Nyingmapa sekte. Het is een kleine klim van ongeveer 15 minuten. Als je weer naar beneden loopt zoek dan eens naar de resten van Tulong, ooit de hoofdstad van Sikkim.
Je zou ook kunnen kiezen voor een optionele dagexcursie naar het Tsomgo Lake, 40 km vanaf Gangtok. Je hebt hier wel een permit voor nodig, dat in Gangtok geregeld kan worden, en je moet met minimaal 2 personen zijn. Het ovale meer is 1 km lang en is bevroren gedurende de wintermaanden tot half mei.
Na het gezamenlijke ontbijt gaan we op excursie naar kloosters in Phodong en Labang. We reizen met 2 jeeps van de lokale toeristenorganisaties. Het is een kilometer of 40 rijden. Onderweg maken we een stop bij een hangbrug, waar we het gebied van Noord-Sikkim betreden.
Ja echt, het kan dus wel. De weg is geblokkeerd door militairen maar men laat ons er langs. We waren ingelicht over de onmogelijkheid om Noord-Sikkim te betreden, maar hier wordt blijkbaar een oogje dichtgedaan. Ik heb niets zien betalen overigens. Het lijkt hier wat minder corrupt dan Noord-India zelf.
In Phodong gaat de tempel weer speciaal voor ons van het slot. Ook hier begint de school om 10.00 uur bij de vlag. In een half uur lopen we naar de bovenste tempel. In de nevels van de bergen zien we bij deze tempel meer van hetzelfde. Ook hier een schooltje.
Na een prima, dit keer Chinese lunch rijden we terug naar Gangtok. In de middag laten we ons de koffie bij de Backery goed smaken. Door de regen lopen we met onze paraplu in de aanslag naar het Chorten Tibetanology Museum, waar we tegen 4-en aankomen. Het is dicht!!! Sh… Het is toch een behoorlijk eind lopen. Eén van de beambten ziet ons balen en nodigt ons uit alsnog te kijken. Alle lichten gaan weer aan. We lopen in een redelijk tempo langs de vitrines. Veel gebedsvoorwerpen en op de bovenetage allemaal boeken. Aardig om even te zien. Met een kwartier staan we weer buiten. Bij het tuinhek wacht de beambte ons op. We moeten nog betalen. Als we de normale toegang betalen laat hij merken met ons extraatje ontevreden te zijn. Heb ik jullie daar nou voor naar binnen gelaten? Zijn beloning gaat het uurloon ver te boven en dat voor een kwartiertje. We lopen bergopwaarts naar de stupa. In het gebouw ernaast zijn wel 100 monniken aan het bidden. Dat leiden we af uit de 200 slippers die voor de deur staan. Ik onderdruk de neiging om ze allemaal door elkaar te gooien. Het gebed wordt versterkt. Leuk om die dagelijkse bezigheden te zien.
Het regent nog steeds al we een stuk naar benden lopen. Zodra we een taxi zien laten we ons naar het hotel brengen. We kopen wat water, maken thee en een cracker en maken onze plannen voor morgen. Verder is het nu wat luieren, lezen, luisteren naar Radio Nederland en eten in The Blue Sheep waar we ons na de soep een lekkere chicken sizzler laten serveren.
We leggen een kaartje als tegen 11en de stroom uitvalt. Als we ’s morgens wakker worden is er nog steeds geen licht. De boiler geeft nog wel warm water.
Donderdag 11 maart, dag 12 Goudse kaas
Het is een vrije dag dus we maken ons eigen programma. Met een taxi laten we ons voor 60 Rps naar Ghanes Tok rijden aan de andere kant van de stad. Er is een mooi maar beetje heiig uitzicht.
De Tok is niet echt veel. De beloofde orchideekwekerij vinden we simpelweg helemaal niet. We lopen naar het Encheyklooster. Het is er opvallend veel drukker dan elders. Er is ook een volle schoolklas. Er zitten zo’n 40 leerlingen van verschillende leeftijden. Een soort toezichthouder met een stok houdt orde. Er gebeurt verder niets. Iedereen zit en wacht. Misschien is de meester even naar het toilet. De toezichthouder gebruikt zijn stok en geeft soms een leerling een flinke tik. We krijgen thee aangeboden als we kijken naar de tientallen vrouwen die met hun gebedsmolentjes in de weer zijn.
Binnendoor dalen we verder af. Ik maak een foto van een reclame voor Goudse kaas voor een collega-wethouder in Gouda. Eenmaal bij de Cottage Industries zien we weinig bijzonderheden. We kopen niets. Verderop kopen we in een klein winkeltje wel een gebedsmolen voor 1000 Rps. Daarna genieten we van echte koffie met butterscotchgebak bij de Backery. Ook de Tandoori- en Chickenpizza vinden hun weg.
Na een korte middagrust en wat boodschapjes gaan we met een taxi naar het paleis. We zijn niet welkom voor de thee. We lopen wel wat ministeries binnen. Via de smalle paadjes vinden we onze weg naar het centrum snel terug. Bij de hall market gaan we voor wat tomaten en mandarijnen. Glenery’s zet een lekkere kop thee voor ons.
’s Avonds eten we met Mariëlle en Claudia luxe in de SnowLion van Hotel Tibet. Het bier, de wijn, jawel, en de sukiyaki..mmmm prima eten.
Vrijdag 12 maart, dag 13 Zelf sjouwen
Tekst uit Reisbrochure: We nemen afscheid van Sikkim en rijden de Himalaya uit naar de laagvlakte. ’s Avonds nemen we de nachttrein. Deze brengt ons op de ochtend van dag 14 terug in Calcutta, waar de groep incheckt in een paar kamers om zich op te frissen. ’s Avonds gaat de treinreis verder naar een stationnetje in de deelstaat Andra Pradesh, waar een bus klaarstaat, samen met een kok, keukengerei en voorraden voor een week, om het stammengebied in te trekken. De reistijden zijn lang en zwaar deze dagen. Al met al ben je afgezien van de onderbreking in Calcutta zo’n veertig uur onderweg naar Orissa waarbij inbegrepen twee nachten in trein couchettes
Met een jeep rijden we terug naar de lager gelegen Siliguri. Onderweg maken we wel een stop, maar we zijn al om 14.00 uur op onze bestemming. We wandelen wat rond in een groot gebied van de stad. Er is veel drukte en dito bekijks. We kijken elkaar maar eens aan. Ik bedoel wij de Indiërs, want we zijn weer terug in India en de Indiërs ons. Veel mannen lopen je voorbij, kijken dan om, dan omhoog en “Hello sir!”
We eten wat in een dure koele tent. Het is hier bergafwaarts alweer behoorlijk warm buiten. Stipt op tijd melden we ons in de schemering bij de jeep die ons in een half uur bij het station New Jailal brengt. De dragers vragen een schandelijk tarief van 80 Rps. Dat wordt zelf sjouwen dus.
De trein rijdt stipt om 20.05 het station uit richting Calcutta. De wagon is wat ruimer dan de in de vorige trein.
Een Indiase deelt onze coupé. Het is een ervaren reizigster, die ook in Europa is geweest. Ze heeft alle benodigdheden onder handbereik. We slapen best redelijk in de schuddende trein.
De stroom van verkopers slaat de coupé van de buitenlanders veelal over. Niets te halen zeker.
Zaterdag 13 maart - dag 14 Calcutta again.
Om 9 uur rijdt de lange trein Calcutta binnen. Dum Dum Station.
We sjouwen ook hier zelf onze bagage over het erg lange perron naar een gigabus voor die 8 reizigers. Het monster zoekt zich rustig een weg door de drukte van de miljoenenstad naar het bekende Great Eastern Hotel. Even een douche.
We bezoeken per taxi het Victoria Memorial. Oude Engelse glorie ten top. Calcutta was tot 1911 de zeer welvarende hoofdstad van India. De Engelse koning George maakte daar tijdens zijn bezoek een einde aan. Delhi kreeg de eer. Calcutta ging ten onder aan zijn ongecontroleerde groei. Indiërs in nood melden zich bij elke volgende ramp aan de poorten van deze stad. Nu lijkt er geen beginnen meer aan.
Het museum van Victoria is voor buitenlanders weer duur. Het is wel goed verzorgd allemaal. Als we aan de achterzijde het gebouw verlaten zijn er wel tien frisdrankverkopers voor onze twee colaatjes. Oei wat kan dat lekker zijn als je echt leegzweet en je week wordt van al dat water. Toch kiezen we één koopman uit. Hij ziet erop toe dat wel de flesjes weer inleveren.
Dan weer de taxi in. De erg oude Ambassador rijdt pruttelend door de wijk Howrah en via de gelijknamige brug komen we weer in de stad terug. We frissen ons wat op en via de gesloten New Market (feestdag) lopen we richting diner. Onderweg kopen we een namaak Guccihorloge voor 180 Rps met een jaar garantie. We beloven terug te komen als het horloge de geest geeft. We internetten in Sudderstreet. Het is een snelle verbinding. De laatste mail voor het Adivasigebied. Tegen 4-en bellen we met de meiden die we nog net thuis treffen.
In het vertrouwde Blue Sky eten we lekkere soepjes, springrolls en Chicken Kikka Kebab.
Afscheid van Calcutta.
Een stad als geen ander. Armoe op straat. Zeer zichtbaar, loopriksjas, je vindt ze verder nergens meer. Het is mensonterend. Het dagelijks leven speelt zich op straat af tussen de vele verpauperde gebouwen die nog verhalen van de rijkdom van weleer. De trams, de bussen, het is allemaal gedeukt, verouderd, maar het rijdt. Grote dieselwolken kleuren de hemel donker. De metro is snel schoon en effectief. Er is één lijn noord-zuid.
Er zijn natuurlijk ook mensen met geld. In de autoshowroom staat het vertrouwde model van de Ambassador in de traditionele gebroken wit kleur nog steeds te koop.
Op straat is het “Hei sir” niet van de lucht. Men zoekt contact. “Where are you from?” “How tall are you?” De bedelaars zoeken ook contact. Et zijn vaak vrouwen en nog vaker kinderen. Uit de rijdende trein wordt geld gegooid. De kinderen vechten erom. Het is spelen met de armoe, het gevecht om het bestaan, elke dag opnieuw. Toch is er geen agressie en je voelt je veilig in deze stad.
We lezen in de krant het verhaal over de vrouw die in een krant 15 biljetten van 500 Rps vindt. In plaats van ze zelf te houden om haar armoe te verlichten en haar kinderen te voeden gaat ze ermee naar de politie. Er zit alleen een beloning in als de eigenaar zich meldt. Die kans is klein. Uiteindelijk zo zegt het verhaal krijgt ze toch een beloning. Het geeft precies weer zoals je de Indiërs zelf ook ervaart.
In het hotel verzamelen we om 19.15 uur voor de volgende etappe per nachttrein. We zijn net op tijd terug voor het ritje met de grote bus naar het Howrahstation. Daar sjouwen we niet zelf. In Calcutta nemen ze voor 20 Rps je zware tas, liefst twee natuurlijk op hun nek. Wagon 9 is erg ver weg.
We betrekken bedden 53 en 54. De trein vertrekt stipt en rijdt heel hard de donkere nacht in. We slapen weer redelijk. Korte tukjes zeg maar.
Ook nu een bonte optocht van verkopers gaat aan ons voorbij. Soms pikken we er eentje uit voor water of een drankje. Verder komt er van alles langs. Bedelaars, vegers, kinderen die zich voor een karweitje aanbieden, verkopers van radio’s, tassen, kettingen en sloten, brood, andere snacks, gipsen beeldjes. Ook zangers en kreupelen mengen zich in de optocht.
Zondag 14 maart - dag 15 Toegangspoort tot een andere wereld
Tekst uit Reisbrochure:Het begin van een tocht door het gebied van de Adivasi in Zuid-Orissa. In de week die volgt, bezoeken we spectaculaire adivasi-markten en maken we dagtochten naar de dorpen van zeer verschillende stammen, zoals de negroïde Bonda's, de Ghadaba, de Paruja en de Khonds. De mooiste adivasi-volken van India leven in dit berggebied enkele tientallen kilometers van het oude koningsstadje Jeypore in het grensgebied van Orissa en Andra Pradesh. De Bonda's en Ghadaba's hebben hier dorpen in afgelegen valleien die alleen over geitenpaadjes bereikbaar zijn. Beide volken komen op donderdag bij elkaar op de weekmarkt van Soguru. Dit onbeduidende plaatsje is op die dag misschien wel de meest spectaculaire weekmarkt van India. Bondavrouwen lopen er rond met slechts een lendenlap en kilo's kleurige kettingen die hun borsten verbergen. Hun hoofden zijn kaal geschoren en voorzien van een even kleurrijke kap. De Ghadabavrouwen dragen oorbellen van koperdraad die wel dertig cm kunnen zijn. Daarnaast hebben ze dikke metalen banden om hun nek die van oorsprong bedoeld waren als bescherming tegen tijgers en panters. De Bondamannen kun je beter links laten liggen, omdat ze vrijwel altijd dronken zijn en met hun giftige pijlen dodelijke verwondingen kunnen toebrengen. De Ghadabadorpen zijn ook prachtig. Niet alleen zijn de hutten prachtig, 'Mondriaanesk' beschilderd met pastellen, maar 's avonds kunnen de Ghadaba uiterst wilde demonische dansen uitvoeren, waarbij ze in trance raken. De eerste nacht overnachten we in het stadje Jeypore in een zeer eenvoudig hotelletje, nadat we de vergunningen hebben gekregen om het gebied in te mogen. We slapen de overige nachten in gouvernementbungalows of soms in een schoollokaal. Het wordt improviseren en voor dit gedeelte heb je beslist een slaapzak, een muskietennet (ook goedkoop aan te schaffen in Jeypore) en een matje nodig. Wie privacy wil, kan een kleine tent meenemen van huis, want bij alle bungalows is een stuk tuin of bos.
De trein arriveert zelfs een kwartiertje eerder. Op het hete voorterrein van het station staan het beloofde busje en de Ambassadorcar keurig klaar. Dragers geven het al snel op. Deze Hollanders sjouwen meestal zelf de bagage op hun rug.
De jongens kiezen voor de Ambassador en er rest ons voldoende ruimte in het busje. Bij eerste gelegenheid lunchen we, waarna we onze weg vervolgen naar Jeypor. Het glooiende land laat ook de temperatuur wisselen. Op het hoogste punt van de rit (1019 meter) is het relatief koel. Verder merken we dat het de komende tijd heet zal worden. Later blijkt dat het de warmste periode sinds 19 jaar is in deze tijd van het jaar. De temperaturen variëren van 36 tot 40 graden in de schaduw.
Om 16.45 uur rijden we voor het eenvoudig hotel aan de achterzijde van de hoofdstraat. De eenvoud van dit hotel steekt luxe af bij wat we de komende dagen aangeboden krijgen. Er is hier stromend water. Warm water is te tappen achter in de gang. Er is een douche. Het water is tegen lauw aan, dus we missen het warme water niet zo.
We profiteren nog even van het licht door de hoofdstraat af te lopen. We hebben erg veel bekijks. Er komen hier blijkbaar weinig toeristen. Naast het vervallen paleisje van dit koningsstadje zijn er geen echte bezienswaardigheden. Het dagelijks leven van de mensen is voor ons vaak al interessant genoeg.
Het diner gebruiken we in het hotel. De Chow Mein en de tomatensoep laten we ons goed smaken. Onder de t.l.-buis in onze kleine kamer spelen we een spelletje kaart. De fan moet wat lager anders waaien de speelkaarten weg.
Maandag 15 maart - 16e dag De eerste wandeling
Het is al ruim anderhalf uur licht als we echt Orissa binnentrekken. Op weg naar het 25 kilometer verderop gelegen pottenbakkersdorpje komen we dragers van het Bapanigridavolk tegen met zware vrachten potten. Ze lopen de 25 kilometer om hun producten aan de mens te brengen. In Jeypor. In het dorpje zelf zitten de Bapanigrida ogenschijnlijk allemaal te luieren. Onze komst betekent wel actie. Een pottenbakker laat na aansporingen van Rashmi spontaan zien hoe hij zijn dagelijks werk doet. Met vaardige handen tovert hij uit een klomp klei drie vazen, potten en een bakje. Diverse verkopers stallen hun spullen uit voor de rijke toeristen.
Wij kopen een klein schaaltje. De weegschaal op het vliegveld straks en de omvang van de rugzak bepaald uiteindelijk hoe ver je kunt gaan.
We maken vervolgens een voettocht over smalle paden en komen natbezweet in het plaatsje Paroja aan. De entree is voorzichtig. Rashmi: “Wacht met de foto’s, we gaan eerst rustig rondkijken, verkennen. Ik zoek het dorpshoofd wel.” Ja en zo gaat dat dan. De leden van het Litiputvolk kijken meestal verborgen nieuwsgierig naar ons. Na een minuut of tien mogen de camera’s uit de tassen. Veel vrouwen verdwijnen in hun hut.
Een paar kilometer verderop hebben we onze eerste ontmoeting met de Lower Gadaba in Muruja. Hier wordt gevraagd nog voorzichtiger te zijn. Rashmi moet echt onderhandelen en dat doet hij ergens in het dorpje, buiten ons gezichtsveld. Hij krijgt toestemming voor ons om een aantal vrouwen te fotograferen. Verder kunnen we foto’s maken van het dorp, maar niet van andere mensen.
Het is dit keer een kwestie van geld. Rashmi betaalt de vrouwen voor het poseren.
Onze kok maakt met hulp van de chauffeurs een lunch op de waranda bij een school. Ze zijn tijdens onze wandeling vooruitgereden. De school is voor de kinderen van het Sukrigudavolk. De nieuwsgierige kinderen zijn vooral op onze lege mineraalwaterflessen en balpennen uit. Na de voortreffelijke vegetarische lunch (het is vandaag een vlees en visloze dag in verband met een bepaalde hindoedag.) rijden we nog een flinke afstand naar onze kampplaats voor de komende twee nachten: Siribeda. Het begint al wat te schemeren als we op het terreintje naast onze gastfamilie de in onze handen gestopte tent wat onwennig staan op te zetten.
Moet je net bij ons ervaren kampeerders zijn. Voordat het echt donker is staat de tent. Een paar meter verder ligt op hetzelfde terreintje een zwijn te bevallen. De twee dode biggetjes worden door Jeroen verwijderd. De andere borelingen maken het goed.
Na zo’n hete stoffige dag is een goed wasbeurt natuurlijk heel fijn. Centraal in het dorp staat een waterpomp. Het is er erg druk. Vrouwen komen water halen, doen de afwas. En de blanken staan te wachten tot ze er even tussendoor kunnen. We zijn wel de enige mannen bij de pomp. Ja, onze vrouwen halen geen water voor ons!
Onder wat nieuwsgierige blikken wassen we ons zo goed mogelijk. Zo zal het de komende dagen zijn. Primitief, maar heel indrukwekkend.
Onze kok is er weer in geslaagd een prima maal te bereiden. Er is een keuken ingericht onder een afdakje. Met primitieve middelen weet de kok de hele groep culinair te verrassen. We eten met het bord op de knieën op het erfje bij onze gastfamilie. De koffie rondt de driegangenmaaltijd waardig af.
Na het eten maken we verder kennis met onze 45-jarige gastvrouw en haar vier kinderen. Naast haar huis wordt een nieuw huisje gebouwd voor haar pas getrouwde zoon. We proberen spelenderwijs wat van hun taal te leren zoals korhu (= kip) en mehu ( = koe).
Ondertussen genieten we van het mineraalwater. Het dorpje heeft, zoals nergens trouwens, geen bar.
In de donkere natuur zoeken we een plekje om te plassen. De witte tandpasta contrasteert fel met de pikdonkere omgeving. Dan zoeken we moe de tent op. Op de dunne matjes slaap ik best goed. Adri is wat vaker wakker. Uiteindelijk daalt de temperatuur zo ver dat de slaapzak eraan te pas moet komen. Waarom hebben ze daar duizend maal zoveel sterren als in Nederland?
Dinsdag 16 maart - 17e dag Wasritueel aan de pomp en mannen die slechts één ding willen
Na het ontbijt met een heus gebakken eitje beginnen we om halfacht met een trekking langs een drietal stammen. We lopen veel door open veld en de temperatuur stijgt snel. Een lokale gids loopt mee. Door het verschil in tempo is de groep al snel langgerekt.
Eerst bezoeken we de stammen die bij het gastdorp Siribeda horen. Mensen zijn hier wel iets gewend. De reisorganisatie komt immers een paar keer per jaar met een groepje logeren. Vak zijn het Italianen, waarover we in elk geval hoorden dat ze luidruchtiger zijn. Omdat we tussen deze stam inwonen zijn we al snel gewend aan de lokale bevolking.
Als Adri en ik bij één van de nabijgelegen dorpen bij het mannenhuis gaan kijken, krijgen we mannen achter ons aan die slechts één ding willen. Dan kunnen we kiezen tussen snel vertrekken of betalen voor onze aanwezigheid. Dat laatste doen we niet. Als de hoofdman ons blijft volgen regelt Rashmi het met de duidelijk onder invloed verkerende kerel.
Na een kilometer of 8 komen we in Kenduguda. We zien hier toch wel veel mensen die ons ontwijken. Ze gaan naar binnen of maken een ommetje.
Zij die wel in het zicht blijven kijken ons verschillend aan. De één boos en de ander weer angstig. Dat is ook zo in Talur. Hier duurt het extra lang voordat het fototoestel uit de tas kan. Menigeen heeft dan al stiekem een plaatje gemaakt van de hutjes en een toevallige voorbijganger. Rashmi betaalt de fotorechten. In Sorisapadar is het bijna uitgestorven. Volgens ons is iedereen naar de nabije lokale markt.
Na de lunch en een uurtje rust bezoeken we de markt van Ramguri.
Het is er heet, druk en erg kleurig. Het is een lustoord voor fotografen. Een vader prijst zijn dochter als de mooiste aan. Die moet je fotograferen. Doe je dat toch. Hij heeft gelijk. De kopers en verkopers komen van heinde en verre om vaak een enkel product van eigenaar te doen veranderen. De foto’s vertellen meer dan letters kunnen beschrijven.
Als we met het busje de terugtocht aanvaarden komen we al snel rijen lopende vrouwen tegen. Als we stoppen voor een foto verbreken ze de formatie. Ze weten duvelsgoed wat we graag wal hadden willen zien. Het lijkt een spel. Even later passeren we vijf Siribedavrouwen. Het is goed aan de kledendracht te zien.. Wij wonen bij hen in het dorp. De zware manden gaan op de bus en de kleine vooral jonge vrouwen klimmen tussen de toeristen in de bus.
Joske heeft een zakje met wat sieraden bij zich. Ze vinden gretig aftrek bij de meiden. Ze rijden mee tot een splitsing, waar wij nog even rechtdoor gaan. Het scheelt ze zeker anderhalf tot twee uur lopen. We stoppen een flink stuk van de hindoetempel Gupteswar. De kok heeft vis ingekocht en daarmee mag hij met de Ambassadorcar niet in de buurt van de tempel komen. Dan komen de jongens er in het busje bij.
Gelukkig is het al achter in de middag. De hitte neemt iets af. De lange trap naar de Gupteswartempel valt wel mee. Alleen die verrekte kleine steentjes, die teisteren zo af en toe je blote voeten behoorlijk. De tempel bestaat uit een gebouwde ingang en verder uit een toegankelijke grot waarvoor een enorme cobra de wacht houdt. In de klamnatte grot staat een aantal altaren. Onze blote voeten glibberen over de gladde vloer en trapjes. Bij de nu snel dalende zon maken we nog een stop bij Saberi. Bij de Mohanodi-rivier kijken we wat rond. De rotsachtige passage van de rivier hier is mooi om te zien. Het rivierwater heeft al een tocht van zeker 2000 kilometer achter de rug. Zo te zien is het water al tientallen malen voor verschillende doeleinden gebruikt. Het is in ieder geval niet meer geschikt als zwemwater. Althans niet voor westerse toeristen.
Terug in het kamp schrijf ik op het erfje in mijn dagboekje. De chauffeur brengt me een enorme kop koffie. Vervolgens is het tijd voor het wasritueel aan de pomp.
Als het donker wordt gaan de koeien in een stalletje, nou ja onder een afdak. De bodem is zo ongelijk dat de meeste koeien niet kunnen gaan liggen. De kippen worden de hutjes ingedreven. Na het diner wordt de enige gaslamp verplaatst naar een open plek. Daar gaan de jongens en meiden voor ons dansen. Vrijwel het hele dorp loopt uit. Het is een verzetje voor iedereen, want ’s avonds is er bij het ontbreken van elektriciteit weinig actie waar te nemen. Na een tweetal dansen onder begeleiding van een heus orkestje worden de stokken tevoorschijn gehaald voor de zwaarddans. We krijgen ook nog een korte toegift waarna er geposeerd wordt voor ons fotografen.
Woensdag 17 maart - 18e dag Mijn pet dobbert op mijn hoofd
Na een snel ontbijt nemen we afscheid van onze gastfamilie. We maken ene foto en beloven hem op te sturen (en dat komen we na). Dan is het een kwestie van tenten en tassen pakken.
De tocht gaat richting Machkund . Bij de eerste stop wordt een lekke band verwisseld die bij de eerste gelegenheid in een zeer primitief bandencentrum wordt gerepareerd. Primitief, maar wel effectief want het werkt wel.
Door de vertraging van onder meer de lekke band beginnen we pas om elf uur aan onze wandeltocht. Dat is de weergoden en de koperen ploert tarten natuurlijk. Al heel snel loopt het zweet ons langs het lijf. Mijn pet dobbert op mijn hoofd. We zijn op weg naar Borogada, een heel bijzonder dorp waar de vrouwen met zware ijzeren ringen om de nek rondlopen.
Bij aankomst blijft de camera zoals gebruikelijk voorlopig in de tas. Het dorp is in rouw. Eén van de oude vrouwen is net overleden. Rashmi slaagt erin om alle elf oude vrouwen uit dorp bij elkaar te krijgen. Zij lopen nog in hun typische kleding met de ringen. Hun dochters willen er niet meer aan. Die hullen zich in een soort sari.
Rashmi organiseert een fotosesie waarbij hij elke vrouw 10 Rps (= € 0,20) zal geven. Ze poseren gewillig. De camera’s klikken als mitrailleurs.
Als we onze tocht voortzetten op het heetste uur van de dag slinken de watervoorraden snel. In de verte lokt een gigantisch grote boom. Daaronder zit de breedlachende kok met zijn assistent te wachten met de lunch. De lokale bevolking, de koeien en de honden komen allemaal meegenieten. Op die plek is het 920 meter boven de zeespiegel. Dat scheelt nog wat in de warmte. Na een rustuurtje trekken we langs nog twee dorpen. De kinderen zijn er zeer actief. Ze zeuren ons de lege flessen van het lijf. Ook het “pen please”is niet van de lucht. Deze nieuwe dorpen voegen niet zoveel aan onze eerdere ervaringen toe. Het lijkt op een overdosis. Daar komt bij dat om de één of andere reden men erg veel vraagt voor het maken van een foto. Het komt omgerekend op bijna een dollar neer. Niet slim van ze, wat de tassen blijven dicht. We hebben zelf overigens nergens voor foto’s betaald.
Onderweg wacht de bus de vermoeide reizigers op. Over een zeer slechte weg hobbelt de bus naar de hilltopbungalow. Een regeringsgebouwtje onder een zendmast. We betrekken een open kamer waar iedereen doorheen banjert. Maar er staan wel twee echte bedden!
Er logeert ook een Frans stel uit Bordeaux dat per huurauto op zoek is naar de vele stammen in India. Het zijn ervaren reizigers die duizenden foto’s van volksstammen hebben gemaakt. Ze mogen ’s avonds mee-eten van de kok. We babbelen ’s avonds wat op de ruime waranda. De boxjes van onze discman zorgen voor wat achtergrondgeluid. De mannen halen bier in het nabijgelegen dorpje onder aan de heuvel. We slapen best wel weer redelijk. Het is soms zelfs kil onder de fan. Je raakt toch goed gewend aan de warmte.
Donderdag 18 maart - 19e dag Bonte optocht
Vandaag is het de beurt aan de markt van Machkund. We rijden er met de bus naar toe. Dan lopen we naar één van de belangrijkste aanvoerroutes. Aanlooproutes beter gezegd. Hier komen de kopers van heinde en verre langsgelopen. Het is een bonte optocht van vooral vrouwen die naar de markt gaan. We stellen ons op bij een doorwaadbaar stukje water
Daar moet iedereen langzaam langs. Rashmi onderhandelt met sommige voorbijgangers voor een fotosessie. We zien hier ook de eerste Bonda-vrouwen.
Aansluitend hebben we uren om de markt te bekijken. Voor het eerst sinds dagen zien we een paar andere toeristen. Ze zijn behangen met camera’s. Het is nu kijken, kijken en nog eens kijken. Soms schieten we een foto. Het is allemaal zo mooi dat je je echt in moet houden. Om 11.30 uur rijdt de bus terug naar onze hilltopbungalow.
Die middag hou ik rust. Ik voel me wat moe, in elk geval niet fit. De wandeling aan het eind van de middag laat ik aan me voorbijgaan. Het wordt alsnog een flinke wandeling voor een zestal leden van de groep.
Vrijdag 19 maart - 20e dag De beker is de douche
Het is een reisdag of liever rijdag. Er staan 220 hobbelige kilometers op de rol naar Bisamcuttack. ’s Morgens stoppen we op een drukke markt. Er zijn weer heel wat fotomomenten. De rij met vrouwen die drank verkopen. De overvolle jeeps..
Het is vandaag weer superhot. Tegen 17.00 uur stoppen we in een bijzonder dorp. Er staan zeg maar rijtjeshuizen met een verharde middenstraat voor de dieren of voor de drogende oogst. Iedereen heeft achter het huis een klein tuintje. Sommige huizen zijn mooi in pasteltinten geverfd. De vrouwen brengen de verf met hun blote handen op.
Met nog een paar minuten licht voor de boeg arriveren we bij de regeringsbungalow. De tenten worden op de waranda opgezet. Er is (nog) geen licht. Er wordt straks hard aan gewerkt en warempel het peertje gaat aan. Dat betekent ook licht in de “badkamer” waar we na flink doorvragen ook over water kunnen beschikken. De emmer zit vol water. De beker is de douche. En dat is toch zo lekker als je het de hele dag heet hebt gehad en het zout je hele lijf bedekt.
Het toilet zoek je zelf ergens buiten. ’s Nachts koelt het redelijk af. Vooral het tweede deel van de nacht is het goed te doen in de tent.
Zaterdag 20 maart - 21e dag Snikheet
Toch maar matig geslapen. Vandaag staan er drie dorpen op het programma. Na een busrit van 12 kilometer beginnen we aan een flinke klim. We komen bij een alleenstaand huis. Er wonen 2 families die zich hebben afgezonderd van de rest van het dorp. Rashmi geeft aan dat in sommige dorpen te veel mensen bij elkaar wonen. Dan zoekt men een uitweg. Nog een klim hoger ligt het dorp. Het motto is: geen foto’s. En als je wel met je camera aan de slag gaat dan zeker geen mannen fotograferen. Rashmi weet het wel spannend te houden. We houden ons aan de regels.
In het tweede dorp kunnen de camera’s vrij gehanteerd worden. Er is ook meer actie hier. Een paar mannen vangen een paar varkens die gillen of hun leven er vanaf hangt. Ze worden vastgebonden en verkocht op de markt. We kopen bij dit volk een paar ringen en een mesje dat de vrouwen in hun haar bij zich dragen. We tellen er 100 Rps voor neer. De verkopers hebben een topdag.
Na de siësta gaan we met de bus nog richting een tweetal dorpen. In het eerste komt iedereen in actie als men ons ziet aankomen. Uit vrijwel alle woningen komt de koopwaar, die op de grond voor het huis wordt uitgestald. Men is gespecialiseerd in bronswerk.
Het metaal wordt in dunnen sliertjes over een vorm van klei gelegd. Later haalt men de klei eruit en ontstaat er een open weave van bronzen draden. We kopen er twee staande figuren en een aantal sieraden. In de figuurtjes zit de gebakken klei nog gevangen. Terug in de bus ziet een tweetal kippen zacht tokkend hun laatste levensuren aan zich voorbijtrekken. Om 19.00 uur heeft de kok het weer voor elkaar. Een galadiner met zelfs patat. De kip smaakt heerlijk. Ondertussen wordt het flink bewolkt. De warmte zal vannacht niet verdwijnen. Als we om 21.30 uur in de tent kruipen is het nog snikheet. Ik heb last van een verkoudheid. Het wordt de nacht waarin we het slechtst slapen.
Zondag 21 maart, dag 22 Gopalpur on Sea
We rijden vandaag het gebied uit en komen terecht in Gopalpur, een rustige badplaats met een prachtig lang strand. In de middeleeuwen was het een belangrijke handelshaven voor de verbindingen met de Indonesische archipel. Voor het eerst kun je weer slapen in een comfortabel hotel aan zee.
Om zes uur is het inpakken geblazen. Den tenten verdwijnen weer in de te kleine zakjes. We maken ons na het vertrouwde goedverzorgde ontbijt op voor de lange hete rit naar de zee. We stoppen onderweg een keer voor een drankje, maar verder is het doorzetten in de hitte die evenals gisteren in de zon temperaturen van tegen de 50 graden bereikt. Even uur later bereiken we de kust. De nabijheid van de zee was een uur daarvoor al merkbaar door de koelere zeewind.
We lunchen goed in een tentje op de boulevard. De strandwandeling is door de zeewind best aangenaam. De vissers halen hun zware boten op het strand, verkopen de vis. We zien veel visarenden en terwijl de nieuwsgierige lokale bevolking ons bekijkt zien we enorme dode rog op het strand liggen. Een maand later zien ik bij restaurant de Bernisse Molen 150 gram gebraiseerde rogvleugel op een menu staan voor slechts € 29,95. Ik was weer even met mijn gedachten bij dit stukje strand.
Na 1500 uur bellen we een verkouden Monique, Linda slaapt nog. We rusten wat en frissen ons flink op. Een warme douche na ruim een week geploeter aan de pomp. Ik schrijf mijn dagboekaantekeningen en kijk via BBC World even naar het internationale voornamelijk Aziatische nieuws. En India cricket tegen Pakistan.
’s Avonds genieten we op een binnenplaatsje van een wit hotelletje van het laatste maal van onze huiskok. Hij heeft op het strand verse vis gekocht.
De luchtbundel van de naburige vuurtoren scheert zeer regelmatig hoog boven onze hoofden. De kok heeft weer zijn best gedaan. Naast de makreel is er patat en rijst met groenten. We slapen als rozen.
Maandag 22 maart - dag 23 Naar Bhubaneswar, de hoofdstad van Orissa
Tekst uit Reisbrochure: We rijden in een paar uur naar Bhubaneshwar. De hoofdstad van Orissa is een ontspannen, groene stad die zich over een groot gebied verspreidt. 'Bhubaneshwar' betekent 'heer van de schepping'. Het is één van de 1008 namen van Shiva en de stad is dan ook van oudsher gewijd aan deze god. De stad was reeds in de tijd van keizer Ashoka, in de 3de eeuw v.C. belangrijk. Het was destijds de hoofdstad van het grote koninkrijk Kalinga, het laatste grote rijk in India dat nog niet door Ashoka was opgeslokt. In een veldslag even buiten de stad overwon de keizer de legers van Kalinga en veroverde daarmee het gebied. Volgens de overlevering verloren daarbij meer dan 100.000 soldaten hun leven en de keizer werd dermate overmand door verdriet en afkeer van geweld, dat hij zich op de heuvel Dhaulagiri tot de leer van 'ahimsa' (geweldloosheid) liet bekeren door een boeddhistische monnik. Vanaf dit ogenblik werd het boeddhisme snel belangrijker in India. Van de 7de tot de 16de eeuw werden in Bhubaneshwar onder de koningen van de Keshari-dynastie en later de Ganga-dynastie, vijfduizend schrijnen en tempels gebouwd. Door de geïsoleerde ligging duurde het lang voordat de moslims het gebied veroverden, maar toen de Moghuls in 1592 ook hier binnen vielen, werd er korte metten gemaakt met dit woud van tempels. Er staan er gelukkig nog tientallen en een bezoek aan het oude centrum van de stad is prachtig. Centraal in het oude stadsgedeelte is het Bindu Sagar, een kunstmatig tempelmeer dat ook vandaag de dag nog dienst doet bij tal van rituelen. Een rondwandeling langs de belangrijkste tempels van de oude stad zou kunnen beginnen bij de qua omvang bescheiden Mukteshwartempel. Dit tempelcomplex uit de 10de eeuw is vooral door de verfijning van de tempelversieringen indrukwekkend. Het terrein is aan alle kanten bezaaid met stenen schrijnen en in de oosthoek is een badvijver. Een stenen toegangspoort tot de Mukteshwartempel behoort tot de fraaiste objecten op het terrein. Achter deze tempel staat in westelijke richting de Parasurameshwartempel, uit de 7de eeuw. Ook deze tempel is niet groot, maar uiterst fijn bewerkt met afbeeldingen van goden. De smalle weg loopt door naar het Bindu Sagar, waaraan in zuidelijke richting de Anand Vasudev staat, een 13de eeuwse tempel. Terwijl vrijwel alle oude tempels aan Shiva zijn gewijd, is dit een Vishnoetempel. Onder de Ganga dynastie (1250-1592) zien we de invloed van de god Vishnoe toenemen. Niettemin blijft Bhubaneshwar tot vandaag een bolwerk van Shiva. De Anand Vasudev is toegankelijk via een kleine poort door een hoge stenen omheining. Afgezien van de fraaie ornamenten is misschien het leven op het tempelterrein minstens zo fascinerend. Er is een grote gaarkeuken verbonden aan de tempel en overal staan potten en vaten, al dan niet gevuld met het eten van die dag. Tientallen koks zijn bezig de eenvoudige maaltijden te bereiden voor de honderden pelgrims en bedelaars die hier dagelijks komen eten.
Langs de zuidkant van het Bindu Sagar staan veel schrijnen verborgen achter muren en tussen woonhuizen. Wie doorloopt langs de oostelijke oever in zuidelijke richting komt bij de Lingarajatempel, de grootste en belangrijkste tempel van de stad. Op het ommuurde tempelterrein staan 180 tempels en schrijnen. Jammer genoeg worden alleen hindoes toegelaten tot het tempelterrein en anderen moeten genoegen nemen met een blik vanaf een platvorm dat aan de noordelijke zijkant van de tempel is gebouwd. De Lingaraja zelf is 37 meter hoog en in de verre omtrek goed zichtbaar. Wie een verrekijker heeft, kan ook de verfijnde ornamenten van sommige tempeltorens zien. We slapen twee nachten in een eenvoudig middenklasse hotel.
Het is net halfacht als we Gopalpur uitrijden voor een rit van een uur of vijf naar Bhubaneswar. Onderweg zien we een flinke chaos bij een ongeval met een aantal vrachtwagens.
Het is weer heet vandaag. We maken een stop voor onder meer een drankje. De National Highway Calcutta Madras wordt verbreed. Op sommige stukken si de weg al klaar. Ook hier vierbaans lopen de koeien rustig hun eigen koers.
Even na het middaguur rijden we de fraaie oprijlaan van het luxe The New Marrionhotel op. Het zal het meest comfortabele hotel van de reis blijken. Met een lassi in het koele restaurant luisteren we naar de briefing van Rashmi. De helft van zijn verhaal verdwijnt in het niets door zijn uiterst Indiase uitspraak van het Engels. Indiërs spreken de p uit als een f en andersom.
“Pifty Rps”
We lunchen bij Shanghai waarna een motorriksja ons naar het Dubai Sagar rijdt. Voordat de rijder ons wegbrengt rijdt hij eerst de andere kant op. Daar vraagt hij ergens hoe hij moet rijden. De riksja ziet er ook wel erg nieuw uit.Hij zet ons af bij één van de tanks (grote vijvers) waar een aantal tempels omheen staat. Het is duidelijk dat hier eeuwen historie bijeen te vinden zijn. De vele tempels zijn erg oud en versleten. Er wordt wel aan een aantal gewerkt.
Ondanks de wind van zeer is het erg warm hier. Het zweet stroomt langs onze ruggen bij deze tempeltocht. Tijdens onze verkenningstocht drinken we wat en ook praten we met wat bewoners daar. Eén van de meisjes weet ons heel snel te melden dat die mooie blauwe vogel een Kingfisher is. En ook de colaverkoper vroeg ons honderduit. Hij weet nu best wel veel over ons.
Bij de grootste tempel mag je niet naar binnen. Op de speciaal gebouwde uitkijktoren kan je over de muur kijken. Agressieve mannen werven daar donaties. Anders mag je er niet op. We zijn voorbereid. Met een “Opzij, ik wil erdoor” stap ik langs de man met het grote boek. Hij probeert het nog eens, maar ik ben niet van plan hem ook maar een halve roepie te geven. In zijn boek staan allemaal flinke bedragen. De laagste zijn door hem persoonlijk met een nulletje erachter of een ééntje ervoor “opgewaardeerd” Er is trouwens niet echte vel te zien op die verhoging.
Bij een andere tempel zien we een aantal van de vele koks tussen de aardewerkpotten. Ze gooien de etensresten op straat voor de koeien. De koks in de tempels maken maaltijden voor de armen en de bedevaartgangers.
Als we terugwillen vinden we niet snel een riksja. Pas als we teruglopen naar de centrale plek waar een grote groep mannen grote houten wielen aan het maken is lukt het snel een motorriksja te bemachtigen. Hij brengt ons voor slechts 60 Rps terug naar het hotel in de stad. Onderweg probeert hij wat vrouwen te versieren door ze een ritje aan te bieden. Ze trappen er niet in, maar het houdt hem wel bezig. Het lijkt er soms op of hij ons vergeten is.
Het lukt ons niet om een werkende internetverbinding te vinden. “No connection”roepen de mannen vanuit een luie stoel toe. Of gewoon gesloten. In het hotel lukt dat wel, hoewel… Het is traag en de verbinding valt steeds weg. Mijn eerste e-mail vraagt me ruim een half uur. De ober komt vertellen dat Adri bij het zwembad gesignaleerd is. Na die mededeling snelt hij weer in haar richting terug. Ik weiger na 67 en 2 e-mail dan ook het volle tarief te betalen. De receptionist maakt zich er niet druk om. Waarom ik eigenlijk wel?
Langs de drukke en lawaaierige hoofdstraat lopen we in de richting van het station. In Mauyari Gardens eten we rookvrij en koel onder meer lekkere loempia’s. Ze hebben er wel heel slechte koffie. Nadat we de eerste kopjes terugsturen krijgen we nieuwe koffie met een klein schepje oploskoffie ernaast. Het blijft erg slap.Op de terugweg komen we toch nog langs een werkend cybercafé en kan de algemene e-mail alsnog de deur uit.
Ja, we zijn weer terug in het gebied met stromend water, electriciteit en natuurlkijk dan internet. Nou natuurlijk. Vanmiddag lukte dat niet echt maar nu hebben we ee heus Cybercafe gevonden. Wel even de schoenen uit en dat zijn we gewend bij de tempels.
We zijn gisteren in Gopalpur aangekomen. Een plaatsje aan de kust waar een heus hotel voor ons klaarstond. Een luxe na een week bivakkeren bij de inlandse bevolking. In een tent, eenvoudige slaapkamer en wassen an de centrale pomp in het dorp.
Maar bij die eenvoud past een serie enorme ervaringen. We bezochten de stammen in Orissa. Mensen die in kleine dorpjes onder bijzonder eenvoudige omstandigheden leven. Soms een waterpomp, anders ver lopen voor water. Geen electra. Men leeft van wat landbouw. Hard werken voor weinig.
De ontmoeting met die mensen is heel bijzonder. In de eerste plaats vraag je je af wie wie komt bekijken. Bij onze aankomst stroomt het dorp vaak samen om die lange vreemdelingen te zien.
We bezochten een aantal lokale markten waar de producten uit het gebied van hand tot hand gaan. Opvallend is het verschil in rol tussen man en vrouw. Zoals we al eerder gezien hebben zijn de vrouwen hard aan het werk en in de weer met water , brandhout en eten. De mannen proberen zo veel mogelijk dranks te scoren. Sommigen zijn wat agressief. De mannen met pijl en boog heb we zeker niet op de foto gezet. We willen niet aan het spit.
De afgelopen dagen waren dus een grote tegenstelling met de andere delen van onze reis. Heel bijzondere dagen.
Goed zoals we al schreven: gisteren bereikten we na een flinke hobbelende rit de kust van de golf van bengalen.Een zeebries verzacht de hittegolf die de temperatuur opzweept tot wel boven de 40 graden. Dat wil wel zweten.
Deze mail komt uit Bhubaneswar, de hoofdstad van Orissa. Een slordige 650.000 mensen wonen hier op een kluitje. Wij logeren in een luxueus hotel. Verschil mag er wel een keer zijn, toch?
Morgen, dinsdag zijn we nog in deze stad. Woensdag reizen we weer naar de kust. Naar Puri, een van de vier belangrijke bedevaartplaatsen in India. Dat wordt kijken naar veel religie, maar we zullen ons ook aan het tropische strand voorbereiden op onze lange terugreis die vrijdag begint met 1200 km treinen. (Mag ik even uw plaatsbewijs?)
Voor het zover is hebben we nog een week te genieten. Je hoort vast nog van ons.
Tot zover, Adri en John genietend van veel.....
Room”service”.
Terug in het hotel probeer ik de roomservice te bellen. 24 uur per dag beschikbaar. Ik bel tot 2 keer toe dezelfde hotelgast uit zijn bed. Uiteindelijk plaats ik een bestelling. Een wijntje en een bier. Na drie kwartier is er nog niemand. Ik loop eens nar de receptie, klaag over de slechte telefoon, waarmee ik wel de buren maar niet de receptie kan bellen. Wijn is er niet. Ik bestel alles af. En druip teleurgesteld af. De waterkoker bewijst zijn diensten weer. Als er geklopt wordt staat er toch een kleine ober met een bier voor de deur. “No wine”. Het was natuurlijk de telefonische bestelling van een uur terug. Ik stuur het bier terug. Even na middernacht komt een technicus de telefoon vervangen. We krijgen er een lichtblauwe voor terug. Zo komt er natuurlijk niks van een spelletje kaart terecht.
Dinsdag 23 maart - dag 24 Bhubaneswar
In het hotel worden we het niet eens over de prijs van de taxi die ons naar de grotten kan rijden. Hoewel de prijs ineens naar beneden kan van 400 naar 300 Rps besluiten we het buiten te proberen. Daar staan ze altijd te wachten. We spreken 250 Rps af voor een rit naar de grotten en een periode van drie uur.
De enthousiaste chauffeur vertelt onderweg met zijn bijzondere Engels iets over een aantal gebouwen onderweg. Het paleis van de gouverneur ontbreekt er niet. Met ruim 20 minuten zijn we bij de grotten. Het blijkt een interessant bezoek te worden.
We betalen het toeristentarief ($2) om binnen te komen. Een erg aanhoudende kerel wil onze gids zijn. Hij blijft ons volgen en zijn verhaal afdraaien. Pas als ik hem “boos” wegstuur heeft het effect.
De grotten zijn in combinatie met gebouwde gedeelten heel bijzonder. De foto’s spreken voor zich.
Na het uitgebreide bezoek aan het grottencomplex drinken we beneden wat bij één van de vele stalletjes.
Bij het tweede complex dringt zich wederom een gids op. Dat is een aanhouder! Adri is hem echt zat en blaft hem ongeveer de tempeltrap af. Zo die kent voorlopig ook zijn plaats weer. Ook gaan we niet in op de jonge verkopertjes van pinda’s. In een stukje krantenpapier zitten 2 3 ongepelde pinda’s voor de talrijke apen. De boefjes vragen er 5 Rps voor. De apen grissen de papiertjes uit de handen van de argeloze toeristen voordat ze een stap verzet hebben. Leuk, de apen vallen natuurlijk niet de verkoper aan. De apen met een lange staart en opvallend stevige billen spelen het spel mee.
Bij de ingang van de tempel op de top van de heuvel moeten we onze schoenen uitdoen. De poortwachter spuit onze voeten “schoon” waarna we verder naar boven klimmen. We mogen de tempel in maar we doen het niet. We kijken naar de bezoekers en de wijde omgeving. Bhubaneswar ligt aan onze voeten.
Met de taxi rijden we nog langs een drietal andere tempels. Als het aan de chauffeur ligt rijden we eindeloos door. Time is money toch?
Bij de Meghaswartempel worden we ontvangen door moeder en zoon. We krijgen bloemen om te offeren en met stippen voor hoofd en keel stappen we de sombere tempel in. In het dakgewelf hangen honderden vleermuizen. De man vraag onze namen en bidt voor ons waarna we een stukje kokos krijgen dat met heilig water is overgoten. Als het Gangeswater is kan het ik beter niet opeten denk ik nog. We maken foto’s en beloven er een paar op te sturen. Natuurlijk wordt er ook op een gift gerekend. Ik geef 50 Rps. Het kind heeft een hoofdholteprobleem en de dokter is duur. De oude vrouw vraagt beleefd om meer. De kunst is dan toch voet bij stuk te houden. Dat hebben we trouwens ook wel geleerd.
Rond 1300 uur rijden we de oprijlaan van het hotel op. We eten een pizza bij de coffeeshop en doen een dutje. Het enige zwembad op deze reis is de plek waar onze groepsgenoten elkaar weer treffen na het eind van de middag. Nieuwsgierig personeel loopt opvallend vaak door de fraaie tuin.
“You are my friend.”
Na donker lopen we een flink stuk naar de markt. Daar doen we een hernieuwde poging om een sari voor Adri te kopen. Een jongen van een jaar of 14 lokt ons naar een kraam. Iedereen staat klaar om ons te helpen. We zien wel een aantal mooie lappen die als sari gebruikt kunnen worden. Als Adri vraagt hoe ze de sari moet dragen haken de mannen en jongens af. Er wordt een jonge vrouw van de straat geplukt. Zij helpt Adri achter de kraam in de sari. Vervolgens loopt ze mee naar een andere kraam om een onderrok en een hes te helpen uitzoeken. Als het allemaal gelukt is verdwijnt ze even snel als ze verscheen. In totaal geven we 250 Rps uit. De sari zelf kost 175 en de jongen geeft ons nog 5 Rps extra korting: “You are my friend.” Ondertussen laat hij trots even het familiealtaar achter de kraam bewonderen, zodra we onze schoenen uit hebben gedaan.
We wandelen terug naar het Deep South restaurant. Daar zouden we eens op de Zuid-Indiase toer gaan. De menukaart biedt ogenschijnlijk alleen een soort snacks. Het is er ook erg stil. We besluiten boven de dure chinees Shanghai op te zoeken en eten er heerlijk voor een 600 Rps (één van de duurdere maaltijden). Volgens de obers is er in heel Bhubaneswar geen wijn te koop. Ja, het staat wel op de menukaart, dat klopt.
Woensdag 24 maart - dag 25 Geld voor je geld
Tekst uit Reisbrochure: Een korte rit brengt je door prachtig tropisch landschap naar een van de heiligste plaatsen in India, Puri, een van India's vier belangrijkste heilige steden en de zetel van de god Jagannath, de belangrijkste god van Orissa. De stad draait vrijwel geheel om de tempel van deze god en een groot deel van de bevolking ontleent zijn werk aan de Jagannathtempel of aan de pelgrims die hem bezoeken. Daarnaast heeft de stad een groot strand, waardoor dit ook ideaal is als plek om bij te komen van onze lange reis door India. Je slaapt hier twee nachten in een middenklasse hotel aan het strand.
Op naar de bank voor het wisselen van wat geld. Het duurt even voor we een bank gevonden hebben die dat ook echt wil doen. De UCCIBank ziet er modern uit en, ja men wisselt. We krijgen stoelen aangewezen en terwijl het tegen tienen loopt komen er nog steeds personeelsleden binnen. Onze loketplaats blijft echter onbezet. Klokslag tien zakt de jonge beambte op zijn stoel. Mobieltje bij de hand. Ons negerend. Het is India. Neem de tijd. Als ik met mijn westerse ongeduld vraag of hij nou bereid is om geld te wisselen, krijg ik een geruststellend gebaar.
Oké, een half uur later hebben we dollars omgewisseld voor roepies. Speciaal voor ons schrijft hij een omwisselbewijs uit.
In de uiterst koele coffeeshop naast het hotel genieten we nog even van een echte espresso en cappuccino.
Om 11 uur rijden we het terrein van het hotel af richting Puri. Na een half uur stoppen we in een dorpje dat bekend staat om het applicatiewerk. De straat hangt vol met lampen bezet met spiegeltjes. Die kopen we niet. Wel een wandkleed en een paar tassen.
Tegen énen zijn we bij het SE Railwayhotel. Een oud koloniaal hotel op zo’n 300 meter van en met uitzicht op het strand. De tijd heeft hier stilgestaan. Zowel de receptie, de hal als de kamers stralen de sfeer van het begin van de vorige eeuw uit. Op een groot bord met LEISURE staat onder meer aangegeven: billiards.
In het restaurant komen we voor de laatste maal met Rashmi bijeen. Hij geeft aan wat hier te doen is en omschrijft nog eens het verdere verloop van onze trip. Een beetje verrast door het snelle afscheid zoekt iedereen zijn fooi voor de Indiër bijeen. Gelukkig hadden we in eerdere instantie al een richtbedrag afgesproken. Rashmi regelde werkelijk alles probleemloos en vooral op de achtergrond. Pas als hij er niet is, zo zal later blijken, gaat het een enkele keer fout.
Rashmi reist naar Sikkim en pikt daar Italianen op die ook met hem naar Bhutan zullen reizen.
We worden ondergebracht in een gigantisch grote hotelkamer. Het vlechtwerk van alle stoelen is kapot, het warme water ontbreekt evenals de lakens en het muskietennet. Een paar uur later is alles geregeld. Een andere kamer met alles erop en eraan.
Luc spant zich in voor het vervoer naar de zonnetempel van Konark morgen. Uiteindelijk vraagt de receptionist 1000 Rps voor de jeep (voor 6 personen) en 200 Rps voor zichzelf.
Voor het eerst in deze vakantie overheerst het gevoel van rustig ontspannen. Deze laatste dagen zijn er vooral om niet te veel meer te doen. We wandelen naar het dorpje en eten een pizza ( een Indiase uitvoering dan) in “Mickey Mouse” We lopen vervolgens over het strand terug. Er staat een flinke zeebries als we de arme vissers aan de slag zien die hun povere dagopbrengst aan wal brengen. De opkopers dringen zich bij de vissers op.
Terug in het hotel zitten we op de enorme waranda aan een kopje thee dat onze dronken buurman (een Noorse zeeman) geweigerd had. De enorme ligstoel heeft lange armleuningen waarop je je benen kunt strekken. Ja dat is even bijkomen van de reis.
E-mail: Aan alles komt een eind, dus ook aan een eindeloze reis door India. We zijn gisteren in Puri gearriveerd. Onze laatste pleisterplaats. Puri is een stad van 150.000 inwoners aan de kust van de Golf van Bengalen. Een kleine 500 km onder Calcutta. Puri hoort bij de vier belangrijkste bedevaartplaatsen voor de Hindoes.
Vanmorgen om 5 uur reden we met een jeep naar de zonnetempel in Konmark. Een geweldig complex in de vorm van een grote wagen met 18 wielen. De tempel dateert uit plm 1280 na Chr. Heel indrukwekkend.
Puri is ook een badplaats. Zand, zon en zee genoeg.Het is de laatste dagen ongeveer 35 graden dus we zitten er nog steeds warmpjes bij. Tussen de culturele zaken door genieten we ook van de zee natuurlijk. Morgen brengen we nog een bezoek aan de grote tempel van Puri en dan sluiten we 's avonds gezamenlijk onze reis af.
Zaterdag rond 1300uur Nederlandse tijd vertrekken we naar het station van Bhubaneswar. Daar pakken we 4 uur later de nachttrein die ons 1200 km (jawel) naar het zuiden gaat brengen, naar Chennai ofwel Madras. Zes uur na aankomst, het is dan in Nederland zondagavond half acht, stappen in het vliegtuig naar Bombay. Vandaar vliegen we via Frankfurt naar Amsterdam waar we maandag rond 17.30 uur hopen te landen.
Daarmee is dit het laatste bericht van ons. We hopen dat je het leuk vond zo een beetje op de hoogte gehouden te worden en zo een beetje mee te genieten van onze zeer boeiende, soms zware, maar vooral ook ontspannende vakantie.
Tot mails in nederland. Groet, Adri en John.
We eten met zijn zessen in Amazonia. Een buitenrestaurant met diverse afdakjes. We bezetten de grote middentafel vlakbij het televisietje waarop de zoveelste cricketwedstrijd tussen India en Pakistan te zien is. Vandaag zal India onder luid gejuich in het hele dorp “the best of five”winnen. Het duurt lang voor we iets te eten hebben. We hebben alle tijd. Hoewel om 22.00 uur sluit de poort van het hotel.
Voordat we onder het muskietennet kruipen bellen we op de terugweg nog even met Monique in het verre Nederland. Tgaatgoei.
Donderdag 25 maart - dag 26 De zonnetempel van Konark
Tekst uit Reisbrochure: Zeker de moeite waard is een bezoek aan de zonnetempel van Konark. Dit monument staat op de World Heritage lijst van de UNESCO. De resten van deze tempel vormen de meest indrukwekkende erfenis van de tempelbouwers van het middeleeuwse Kalinga. De tempel is ontworpen als een enorme strijdwagen voor de zonnegod Surya en dient als voertuig voor de dagelijkse reis langs de hemel. Vierentwintig wielen en zeven paarden verbeelden de mobiliteit van het gebouw. De tempel ligt 30 km ten noorden van Puri aan het strand.
Om 4.30 uur roept de wekker ons waarna we om 5.00 uur de chauffeur van de gehuurde jeep wakker schudden. Er staat een trip naar Konark op het programma. Tijdens het ontwaken van India rijden we 30 kilometer langs de kust naar Konark. Jeroen en Alfred volgen de jeep op de motor die ze gisteravond gehuurd hebben. We willen bij zonsopgang bij het tempelcomplex zijn.
Als we er even na zessen arriveren gloort het licht achter ons. We staan dan met ons gezicht naar de ingang. De inlanders betalen 10 Rps toegang, Wij worden voor 250 Rps of $5,-- aangeslagen. Het geld gaat natuurlijk ook naar de restauratie die volgens mij nooit zal stoppen.
Opdringerige gidsen moet je echt afsnauwen. Anders blijven ze bij je lopen en tegelijkertijd hun verhaal afdraaiend in de hoop dat de afrekening aan het eind positief uitvalt. Uiteindelijk begrijpen ze dat we geen begeleiding willen. Als je eenmaal rond en zelfs op de tempel loopt ervaar je hoeveel werk het geweest moet zijn om alle versieringen in het gesteente aan te brengen. Er is vrijwel geen zelfde afbeelding te vinden op het gehele complex. Het is moeilijk te achterhalen wat de strekking van de afbeeldingen is. Er zitten sterk erotische afbeeldingen bij. Die zagen we al eerder in India. Maar het verhaalt ook van geloof en de personen en dieren staan daarin steeds in de schaduw van de verschillende verschijningsvormen van de goden.
Het tempelcomplex ligt in een parkachtige omgeving.
Een aantal “wielen” ziet er redelijk ongeschonden uit. Niet alle paarden zijn terug te vinden.
Met name Adri ervaart dat de aanwezige apen agressief zijn. Eén van hen komt dreigend en blazend in de buurt. Onze aanwezigheid op de tempel bevalt meneer niet echt. We blijven tot 8.00 uur. Buiten dringen verkopers van goedkope gispen Shivabeeldjes zich op. Ook de traditionele boekjes met foto’s ontbreken niet. We zijn al erg ervaren en we trappen er niet in. Na het drinken van een cola laten we ons terugrijden naar Puri. Onderweg komen we veel bussen tegen met mensen op weg naar Konark. Wij waren er al en we zijn blij dat we zelf besloten naar dit complex af te reizen.
Terug in Puri schuiven we aan voor het ontbijt in restaurant Amazonia. We smullen van de omeletten. Een vegetarische en een tomaten, uien en kaasomelet. Die laatste is trouwens ook vegetarisch. We genieten van een speciaal voor ons gezette stevige bak koffie.
Tijd om een keertje in alle rust te winkelen. Adri probeert verschillende broeken. Hoewel ze volgens de verkopers allemaal passen zien we zelf wel anders. Of het model of het figuur klopt niet.
Als we de lange weg door het kustdorp volgen komen we vanzelf in het duidelijk armere deel van het vissersdorp. We kopen er wat armbandjes en stippen die je op je voorhoofd kunt plakken. Dit voor de komende “sari-avond”.
Na een ochtendje rondwandelen lopen we weer bij Amazonia binnen waar we een pannenkoek als lunch bestellen. Amazonia is een sfeervol restaurant met een uitgebreide keus, hygiënisch bereid eten en onder een aantal parasols van riet en bladeren kan je er naast goed eten een gezellige tijd doorbrengen. We houden vervolgens een siësta. Hoezo zware reis.
Op de waranda even tijd voor een paar minuten zon. Ik bestel bij de langsschuifelende ober een biertje. Dat wil hij wel verzorgen. Even later komt hij terug. We moeten vooruit betalen. Vooruit dan maar. Binnen een half uur staat hij weer naast onze ligstoel. Uit een krantje tovert de bediende een echt koele Strong Beer en twee flesjes Thumbs Up Cola te voorschijn. Hij is gewoon naar de winkel gelopen! Lief hè. Dit hoort natuurlijk niet echt zo, maar het gaat wel zo.
Nadat het donker is geworden nemen we één van de riksjarijders die de hele dag voor de hoteluitgang rondhangen voor een ritje naar het Pink House restaurant. Hij rijdt / fietst voor 30 RPS en levert ons keurig af bij het restaurant aan het strand. Het is onze laatste avond samen tijdens deze bijzondere reis. Jammer dat er nergens in Puri een wijntje te koop is. Er is wel een sfeervol muziekje en echt goed eten. Buiten wacht de riksjarijder geduldig op onze terugkeer.
Door de donkere straat omhoog duwt hij ons naar de weg die naar het hotel leidt. “Tomorrow you need rickshaw?” Dit keer wel. Morgen naar het centrum van Puri.
Vrijdag 26 maart 2004. - dag 27 Indiaas habijt en met een stip op mijn voorhoofd, het slotakkoord
Tekst uit Reisbrochure: Een vrije dag in Puri. De grote tempel van Puri huisvest Jagannath, een uiterst interessante godheid. En dat is ook ons doel op deze dag.
Het lukt niet om in Amazonia te eten. Er is niets te eten te krijgen. We denken dat de koks moslims zijn en het is vrijdag. Aan de overkant bestellen we een set breakfast met filterkoffie. Het is compleet met salade en gebakken aardappelen.
Geheel volgen afspraak staat “onze” riksjarijder bij het restaurant. Op naar de tempel. Over de prijs wil hij geen afspraak maken. “Wat jullie er voor geven”leiden we uit zijn gebaar af. Als je geen dikke huid hebt dan is dit een slechte afspraak.
De oude fietsriksja komt op gang. De broodmagere rijder moet bij het minste holletje eraf springen en duwen. Heus dan voel je je opgelaten en wil je eruit springen en meeduwen. Ja nou dat is nu net niet de bedoeling.
Via wat levendige straten rijdt hij naar de Grand Road. Inderdaad Grand. Helemaal berekend op de wel 800.000 mensen die de straat tijdens het Car-festival naar de Jagannathtempel komen.
De bedelaars voor de tempel zijn behoorlijk agressief. Ze zitten aan je en blijven aanhouden. We houden stand en wijzen de hulpvragen af alsof het ons niets doet. Bij de tempelpoort kunnen we een blik naar binnen werpen. We mogen er niet in.
Naast de ingang is een plek waar je zowel de voeten als je handen kunt wassen voor je naar binnen gaat. Ook is er een speciale plek voor koel drinkwater. We beginnen er niet aan, hoewel het zweet ons langs de rug loopt.
We lopen om het complex dat is omringd door een 6 meter hoge muur. We kijken naar het leven om de tempel en stoppen even bij elke ingang. Totaal vier. In elke windrichting één. We kunnen er echt nergens in.
Ben dan wel eens benieuwd of ik met mijn 2 meter verborgen in een Indiaas habijt en met een stip op mijn voorhoofd er wel in zou komen. Hoe stelt men vast dat je hindoe bent? Ik denk dat elke Indiër, hindoe of niet, als ie dat al zou willen, zo naar binnen loopt.
Als we weer bij de hoofdingang zijn, lopen we tussen kramen en winkels door naar de ingang van de bibliotheek. Op de 1e etage zitten wat lezers. De boeken zijn naar ons idee allemaal donkerbruin en overladen met stof. Er wordt ons een groot boek onder de neus geduwd. De namen van de bezoekers uit het buitenland staan erin. EN, en de bedragen die de bibliotheek geschonken hebben om op de bovenetage te mogen. Vandaar kan je over die hoge muur kijken.
Het zijn natuurlijk allemaal ronde bedragen met nullen enzo. De meeste bedragen zijn met een ander handschrift aangevuld. Zo maakte men van 20 gewoon 120 roepies. Dan denk jij dat iedereen daarvoor veel gegeven heeft. We schrijven voor ons samen 100 Rps op. Flinke beloning hoor. Als de beheerder van het boek ons aanspreekt op het feit dat we met zijn tweeën zijn vraagt hij meer geld. We zijn wel veel te goed in dit geval, maar niet gek. We klauteren de trap op en kijken van boven op het drukke leven voor de tempel. Leuk om de bewegingen te zien. Een man die rijst komt brengen voor de bedelaars en daarmee zijn Karma denkt te kunnen verbeteren wordt bijna onder voet gelopen.
Nog een etage hoger kijken we wel over de tempelmuur, maar je ziet eigenlijk niks bijzonders. Het staat er vol gebouwen en het is er relatief stil. Het is wel leuk om een tijdje het stadsleven van boven te aanschouwen.
Na de afdaling lopen we wat winkeltjes af. We kopen een setje tempelpoppetjes van hout, wat armbandjes en een wierookstandaardje.
Bij het Grand restaurant drinken we een heerlijke koele cola en kijken vanaf onze hoge zitplaats naar het straatleven.
De riksjarijder ligt achterover op zijn rijtuig. Als hij ons ziet springt hij op en gaat de doek weer op zijn hoofd. Hij wil natuurlijk niet terug. Een langere rit en langer wachten heeft zo zijn prijs. We laten ons nog een beetje door Puri rijden. Als we bij de volgende tempel ook een toegangsverbod krijgen besluiten we het voor gezien te houden. We rijden langs het station terug omdat we ergens hadden gezien dat daar een massagesalon zou zitten. Die was er ook, maar toen we voor informatie naar binnen gingen beviel het ons al meteen niet. De “dokter”keek ons aan alsof ie twee bergen roepies binnen zag komen. De sfeer was niet goed dus rechtsomkeert.
We laten ons voor de lunch weer in het dorpje aan de kust afzetten. De riksjarijder glimlacht al bij de gedachte dat zijn beloning nabij is. Zijn tanden bieden genoeg ruimte om zijn eigen riksja te stallen. Ik geef hem 100 Rps en zijn gezicht betrekt. Van een toerist verwacht hij niet drie keer zoveel als van een Indiër, maar minstens vijf of liever tien keer. Zijn blikken of blozen vraagt hij er 50 Rps bij. Dat is het bedrag dat we voor ons beider lunch in gedachten hebben. Ik hou voet bij stuk. Teleurgesteld stopt hij met aandringen. Of we dan toch niet straks willen rijden, vanavond, morgen? We slaan het af.
In de tuin van het restaurant lopen veel termieten, maar wij houden het bij een soepje.
We houden een korte siësta en lopen daarna om halfvier naar het strand. Het is er erg stil. Ik probeer even de zee. Er staat een stevige onderstroom. Het water is een graad of 28 schat ik.
Slotdiner
Op de waranda van het hotel is wat zenuwachtig gegiechel te horen. De dames van het groepje hijsen zich in de sari’s. Hoe moest dat ook alweer. Met zijn zessen lopen we richting visserplaats. Naar het Pink House voor ons afsluitende gezamenlijke etentje. De andere twee reizigers doen niet mee. Moet kunnen toch.
Tijdens de wandeling naar het restaurant staan er nogal wat Indiërs behoorlijk uitbundig te lachen. Navraag maakt al snel duidelijk dat drie van de vier dames de sari verkeerd om hebben geslagen en dus rechts over de schouder. Dat kan dus niet!!. Adri gaat vrijuit als linksdragende.
Ne een bescheiden goed maal zitten we nog even samen op de waranda van het BNR hotel. Het is een echt koloniaal hotel met een inmiddels verloren gegane grandeur. Er is weinig service en je moet echt alles vragen. “Change towels?” Na een minuut of vijf komt de bediende met een handdoek terug en wil er twee mee terug nemen. Dat klopt niet beseft ook hij, maar zijn baas had gezegd….. Binnen een kwartier heb je dan twee schone handdoeken die allang hun oorspronkelijke kleur hebben verloren.
Puri
Tekst uit Reisbrochure: In de huidige cultus is Jaganath de god een vorm van Vishnoe, maar de belangrijkste priesters behoren niet tot de hoge brahmanenkaste. Het zijn donkere adivasi uit het binnenland van Orissa, die al sinds 2000 jaar op deze plek de belangrijkste rituelen uitvoeren. Dit wijst er vrijwel zeker op dat de plek waarop de tempel staat een heilige plek was van de adivasi en Jagannath van oorsprong een pre-hindoegod is, die pas veel later onderdeel is gaan uitmaken van het hindoeïsme. Overigens zijn er ook duidelijke aanwijzingen dat de tempel eerder gewijd is aan de boeddha en later aan Shiva. Er is geen andere belangrijke tempel in India met zoveel mysterie omhuld en er worden uitsluitend Hindoes toegelaten tot de tempel. De verhalen over grote geheimen en schatten die zich in de tempel bevinden, zijn legio. Eén van de meest magische rituelen vindt eens in de 12 jaar (of een veelvoud daarvan) plaats. Het ruwhouten beeld van Jagannath moet dan vervangen worden. Eerst worden priesters uitgestuurd om de juiste boom te vinden, die tal van symbolen op zijn stam heeft, die van nature gevormd zijn. Wanneer het beeld eenmaal uit het hout gehouwen is, wordt het in de tempel gezet. Nu komt echter het moeilijkste moment. De geest van Jagannath moet van het ene op het andere beeld overgaan. Een oude priester blijft als enige op die speciale nacht achter in de tempel, waarin hij wordt opgesloten. De volgende ochtend wordt hij dood aangetroffen en de geest is overgegaan op het nieuwe beeld. Hier zijn nog de laatste rituelen die teruggaan op het brengen van mensenoffers die in de achterlanden van Orissa nog niet voor honderd procent zijn uitgeroeid. Aan de tempelkeuken is de omvang van de bedrijvigheid in de tempel goed af te lezen. Dagelijks werken er 400 koks om zowel het heilige voedsel voor de god klaar te maken, dat uit meer dan 100 gerechten bestaat, als om het eten te bereiden op 200 vuren voor de naar schatting 6000 tempelpriesters en vele duizenden pelgrims.
Zaterdag 27 maart 2004 Start van een lange, heel lange trip terug
Het is voorlopig even ons laatste echte bed, dus we slapen wat langer dan gebruikelijk. Althans we luieren wat langer. We kuieren naar restaurant Amazonia voor een uitgebreid ontbijt met alles erop en eraan. Als geld wisselen naast Amazonia niet lukt omdat de deur van het kantoor potdicht zit, staat er aan de overkant al snel iemand klaar: “Moneychange sir? In rap tempo worden de dollars gewisseld tegen roepies. Veel biljetten van 20, want groter heeft hij niet. Geen bank kan er qua tempo tegen op. Het tarief is ook concurrerend. In het wisselkantoor sturen we onze laatste mails naar huis. Alleen naar de meiden. En we kijken even naar het nieuws natuurlijk. Op nog geen 50 meter is de massagesalon waar we afgesproken hebben. In rap tempo liggen we beiden, gescheiden door een gordijn op de massagetafel. Adri wordt onder handen genomen door twee dames en de jongen en man die mij met hun stevige knuisten bewerken hebben het vaker gedaan. Mijn voorstel om te ruilen van masseurs wordt met een glimlach afgedaan. “Total body massage” betekent heel totaal. Alleen de geslachtsdelen worden overgeslagen in de behandeling van kruin tot teentop. De warme olie vloeit welig. Na een drie kwartier, waarin de heren aan mijn zijde de stevige klappen zeker niet achterwege laten wordt het lichaam van olie ontdaan door het insmeren met een geel poeder, nou een soort vim, het laat net geen krassen achter. Als we na achterlating van 500 Rps (= €10) de hete zon instappen hebben we beiden een weldadig gevoel. Even jezelf verwennen. Moest vaker kunnen.
De terugreis begint om 17.30 uur, dus er rest ons nog een middagje ontspannen en even alles goed pakken natuurlijk. Onder de douche verdwijnen de laatste oliesporen van de massage. Even in de zon daarna. Twintig minuten kan wel.
Wederom in Amazonia genieten we van een eenvoudige vegetarische lunch met rijst, chowmein en omelet.
Langzaam tikken de laatste uurtjes weg tot we even na 17.30 uur met het busje het hotelterrein afrijden. Nagezwaaid door een enkel personeelslid van het Railwayhotel en de altijd wachtende riksjarijders aan de poort: “See you next time!”

Wilde rit
Op het randje van schemer maakt de nieuwe chauffeur van het ons inmiddels bekende Travelclubbusje er een pittige rit van. Er zijn veel mensen op straat, op deze vroege zaterdagavond. Vooral mannen zie je samenscholen bij standjes langs de weg. Luid toeterend veegt het busje als het ware de weg schoon. Ik heb het idee dat de mensen zich vanavond weinig aantrekken van onze ogenschijnlijke haast.
Als we na ruim anderhalf uur Bhubaneswhar inrijden merk je weer goed hoeveel drukker zo’n stad is. De grote straten komen ons al snel weer bekend voor. Dicht bij het station heeft Rashmi een tafel gereserveerd in het ons bekende Mayaur Garden restaurant. Het is er koel en schoon. Vertwijfeld, maar tevergeefs zoeken de rokers uit de groep naar een rokersplekje. Dat kan alleen buiten, in de warmte. Het eten is goed en de koele fles met premium lager raakt snel leeg.
Iedereen levert zijn bijdrage aan de rekening. Sommigen hebben zich al behoorlijk ingehouden. Het einde van de roepies komt in zicht. Juist daarom hebben we vanmorgen nog wat nieuwe aangeschaft. Het ultieme genieten eindigt per slot pas als het laatste wiel de startbaan verlaten heeft.
Voordat we ook maar aan een startbaan kunnen denken, moeten we eerst nog 1225 kilometer over de rails afleggen: de trein van Bhubaneshwar naar Chennai (Madras).
Na een korte rondwandeling in de buurt van het station worden we met onze bagage afgezet. We dragen ons tassen zelf, een beetje moe wellicht van het onderhandelen over dit soort diensten. En het is een hele wandeling naar perron 4 en dat vervolgens vrijwel helemaal af, want onze plaatsen zitten in wagon S6. Voor het op de trein zetten is er uitgebreide hulp van de Travelclub. Eén van de chauffeurs van de Adivasitrip is er ook bij. Als de trein uit Calcutta arriveert wordt het een drukte van jewelste. Eenmaal binnen in de wagon blijkt onze coupé in gebruik genomen door een Indiase familie die net heerlijk aan de maaltijd zit. Met veel, voor ons onverstaanbare woorden, wordt door onze tijdelijke reisleiding de coupé geschoond. Het zal iets geweest zijn in de trant van: “Eruit!. Dit is een gereserveerde coupé. Deze mensen hebben tickets. Vooruit, snel wegwezen.” De Indiërs pakken het eten bijeen. De handen onder het eten natuurlijk. Maar binnen een paar minuten kunnen we ons installeren, nog voordat de trein, bijna een half uur later dan gepland, heel langzaam op gang komt. We zwaaien naar de hulptroepen.
Daar zitten we weer… Kwart over 10, vooruitzicht: 19 uur treinen naar het zuiden. Blik op oneindig. De Belgen nemen een borreltje en offreren er een natuurlijk. De couchettes worden na 23.30 uur in orde gemaakt en rond het middernachtelijk uur heeft iedereen zijn plekje gevonden.
Er is een eind gekomen aan de stroom verkopers en bedelaars. Rust… de trein schudt en rijdt erg onregelmatig, kleine stukjes behoorlijk hard en dan steeds weer langzamer en stilstaan. Slapen gaat in een Indiase trein ongeveer net zo. Zo rond halfzes komen de handelaren weer: Cai, cai. Minuscule kopjes thee, met melk gezet.
We hadden ons alleen beloofd uit te slapen. Nou dat probeert iedereen dan, maar er is een toenemend aantal activiteiten. Na halfnegen geven de eersten het op. De rest volgt snel. In de coupé wordt op geheel eigen wijze het begrip ontbijt gestalte gegeven. We hebben in Puri een tiental plakjes kaas weten te veroveren. Dat smaakt best op een inmiddels behoorlijk verouderd broodje uit de Duitse bakkerij.
Langzaam stijgt de temperatuur, maar we hebben ons voorbereid op zitten, lang zitten. Op de perrons worden massaal eieren gebakken en aan de hongerige reizigers verkocht. Dat durven we niet aan.
Een klein uur voor de geplande aankomst om 1700 uur hoort Luc van een Engelstalige Indiër dat we zeker twee uur vertraging hebben. Het is uiteindelijk 19.55 uur, dus drie uur vertraging, als de trein tergend langzaam het station van Chennai (Madras) binnenrijdt. Het is het eindstation. We hebben alle tijd om uit te stappen. Onze opvang met het bord Shoestring zal ook wel moe geworden zijn.
Met de zware rugzakken lopen we met een krioelende massa mee naar de stationshal. Iedereen zoekt naar de beloofde interim reisleider met dat beruchte Shoestringbord.
Ook na een complete zoektocht over het gehele station blijkt er niemand te zijn. Geen georganiseerde transfer naar het vliegveld.
Met Luc verover ik een vrije telefoon. Ik bel naar Bhubaneswar, de vestigingsplaats van de lokale agent: de Travelclub. Uiteindelijk neemt bij het derde nummer een goed Engels sprekende vrouw op. Ze weet niets van de transactie, maar als we over 5 minuten terugbellen, dan weet ze meer.
Inderdaad. Ze is er nu achter dat er niets geregeld is. Geen paniek er is iemand onderweg. Het is inmiddels 20.45 uur. Ik meld de dame in kwestie dat we tot 21.00 uur wachten en daarna zelf een taxi organiseren. Het vliegtuig wacht vast niet. En we zijn inmiddels zo’n vier uur later.
Als om 21.10 uur er nog niemand is regelen we drie taxi’s. Dat valt op zich al niet mee, omdat de arme chauffeurs knokken voor dat ritje met die buitenlanders. Het levert altijd meer op.
Via een prepaid taxibedrijfje regelen we drie taxi’s. De prijs staat vast. Op een wat chaotische manier vindt iedereen een plekje en krijgt ook de bagage zijn plaats. De kofferbak van de oude zwart-gele Ambassador sluit niet. Volgens de chauffeur is dat geen enkel probleem. Na nog geen vijf minuten rijden stoppen twee van de drie taxi’s bij een benzinestation. De beide chauffeurs houden hun hand op. “100 Rps for gas!” De chauffeurs hebben gewoon geen geld voor de brandstof. De pruttelkarren zetten trouwens diesel om in donkere rookwolken. Nou das mooi. Ik betaal voor twee taxi’s de diesel. 100 Rps, dat is dan een liter of vier.
In een half uur rijden we luid toeterend naar het vliegveld. De 3 chauffeurs drommen om mij heen en eisen een hoger bedrag. “More, more” Ik ben wel moe, maar ik blijf volhouden afspraak is afspraak. Teleurgesteld geven ze het op.
Al buiten de hal staan er veel mensen. Het is druk, heel druk. Voor de vlucht van 24.01 uur zijn we zo tegen tienen al aan de late kant. Maar Air India komt ons te hulp. De vlucht heeft 2 uur vertraging. Bij het inchecken zit de enige beambte voor vlucht 473 zonder nietjes. Met moeite krijgt hij het minuscule apparaatje open. Inderdaad leeg. Hij gaat naar achter……….de rij groeit tot buiten de hal. Na een paar minuten sloft de man weer achter de balie met… een stripje nietjes. Dat redt hij dus niet voor deze vlucht. Hij moet straks tenminste nog een keer naar achter. Het is niet eenvoudig. Passagiers kan hij inchecken naar Bombay en Frankfurt. De bagage labelt hij door naar Amsterdam. Het inchecken, de paspoortcontrole en de veiligheidscontrole duurt ruim anderhalf uur.
Op het luchthaventoilet staat de vriendelijk Indiase schoonmaker heel goed te kijken hoe ik mij scheer en was. Ja we zijn al 31 uur onderweg. Hoppa ook de tandjes even. Achter me hoor ik op de toiletten d meest vreemde geluiden. Achter één van de deuren lijkt iemand aan zijn laatste ademtocht bezig te zijn. De snackbar doet trouwens goede zaken met ons. De shops accepteren alleen dollars. Sta je daar met je roepies. Als je aandringt blijkt het ook geld te zijn. Mooi land, er kan veel, maar soms ook bijna niets.
Zondag 28 maart - dag 29 Air India
Eindelijk even na 2 uur ’s nachts in het vliegtuig. De beloofde langebenenplaats is er niet. Net voor vertrek kan ik ergens anders gaan zitten. Voor de eerst 7 kwartier zit ik weer goed. Later zien we wel. Op Bombay kunnen we op lange rustbedden even rustig wachten. Onze vlucht gaat pas op 7 uur. In de Boeiing 747 van Air India hebben we wel de beloofde ruime plaatsen. Adri zit in de rij achter me. De film is echt niks, het eten en de verzorging is best goed. Korte dutjes slepen ons de nacht door.
Maandag 29 maart. dag 30 De klok terug
Na acht en een half uur landen we op Frankfurt am Main. Met de monorail naar een andere vertrekhal. Allemachtig wat een afstanden en dan nog een kwartiertje lopen. Het inchecken kan bij de gate. Het is er koel, clean, duur. Een chagrijn van een bediende serveert ons koffie voor €2,40 per stuk. We zijn weer terug.
Het kille leer van het Lufthansavliegtuigstoelen
kraakt een beetje als je er in gaat zitten. Tijdens de korte vlucht serveert men een snack. Leuk om vast te stellen hoe verschillen dat ontvangen wordt. De vaak verwende Europeanen kijken wat meewarig naar het bakje water en het kleine broodje hamkaas. Wij daarentegen smullen van het broodje. Het is knapperig en vers en we hebben de afgelopen 48 uur niet echt veel gegeten.
Als de goedgevulde 737 om 17.30 uur met Duitse precisie zachtjes op de Buitenveldertbaan landt, krijg ik pas echt het gevoel dat dit avontuur over is. We hebben heel wat om terug te kijken.
Weerzien op Zuidplein
Monique is met de trein naar Schiphol gereisd. Ze staat al in de hal. Linda is echter met de auto op de A4 gestrand. De weg zit potdicht door ongevallen. We drinken wat, maar na een uur wachten zit er steeds s geen vaart in. We besluiten met de trein naar huis te gaan en spreken met Linda af ze bij een volgende afslag probeert te keren en dat we elkaar op het Zuidplein zien.
Wat een rustige trein en zoef, je bent er zo. Vrijwel tegelijkertijd arriveren we even over 21.00 uur op het Zuidplein. Skip moet dan nog 20 minuten wachten met het tonen van zijn blijdschap.
Met een zware thuisreis van 53 uur zou je verwachten dat we kapot in ons bed duiken. Nou dat valt mee. Als je dit soort reizen maakt moet je wel flexibel zijn. De vakantieverhalen houden we nog even vast, die bewaren we tot later.
Epiloog
Als je zo tussen het malse groen de ontzettend opgeruimde Hoeksche Waard weer inrijdt dan ben je automatisch erg stil na zo’n reis. Het maalt.
Je denkt aan de uitersten van de afgelopen weken. De massieve bergmassa’s en de kou in Sikkim. De gigantische armoe in zo drukke vervuilde Calcutta en de beelden van mensen die van uur tot uur leven. Lange treinreizen in schuddende treinen met zeer veel langslopend volk. De hete verlaten vlakten en bergen van Orissa waar stammen op enkele kilometers uit elkaar andere leefwijzen hebben. Echt terug naar de natuur en terug in de tijd. Geen electra, stromend water, geen bed of huis, geen toilet. Hobbelende jeeps en pruttelende busjes die altijd toeterend van hun aanwezigheid kennis geven. De wandeltochten, de ontmoetingen met bijzondere mensen. India is erg groot land. De afstanden zijn dus groot en de landschappen divers. De Indiër bestaat niet. Ook hier is de bevolking een smeltkroes van rassen, volken en geloven.
Als de auto parkeert tussen de keurig geknipte heggetjes en je zet je stoffige tas in je o zo geordende huis dan begint een film die nog maanden duurt. Een film die in flash backs je ervaring verbeeldt. Je hebt zoveel gezien, gehoord, ervaren, dat je veel tijd nodig hebt om dat in je herinneringen een plaats te geven. Het maken van dit boek helpt daar bij. Het later nog eens teruglezen en terugkijken maakt het herinneringsbeeld compleet. Dit hadden we voor geen goud willen missen.
Elf uur na aankomst zit ik in mijn eerste vergadering. Soms dwalen mijn gedachten af. Waar hebben we het hier over. Hoe zou een collegevergadering in een Indiaas dorp verlopen?
Reacties naar john@johnstuurman.nl Reisverhalen van anderen? http://www.reiseditie.nl